Vogelvrij
Mail Facebook Twitter Instagram

Bronnen Parijs in de tijd van de Franse Revolutie

 

Gebruikte bronnen

 

Aan het schrijven van een historische roman gaat veel onderzoek vooraf. Voor wie zelf meer zou willen lezen over de periode waarin Vrijgevochten zich afspeelt, noem ik hieronder de voornaamste bronnen die ik heb gebruikt bij mijn onderzoek.

 

Boeken

 

  •  

    Artikelen

     

  •  

    Terug naar boven

     

     

    Parijs in de tijd van de Franse Revolutie

     

    Vandaag de dag is Parijs een stad met veel allure, boulevards en brede lanen die het centrum kenmerken. In het zogeheten ancien régime (het oude systeem, voor de Revolutie) had Parijs in de achttiende eeuw net als in de Middeleeuwen smalle, kromme straatjes die slecht bestraat waren of vaker gewoon uit aarde bestonden. Bredere straten waren er al wel, ook deze hadden geen trottoir. De bruggen waren bebouwd, er stonden meestal huizen op.

    De woningen in de stad bestonden steeds minder vaak uit hout. De muren waren gestuct en ze kregen steeds minder vaak een etalage die uitkeek op de straat. Bijna alle huizen waren in die tijd hoog en smal. In Parijs kwamen er pas stoepen aan het begin van de negentiende eeuw. In de achttiende eeuw waren de straten ongelijk bestraat, of zoals eerder gezegd helemaal niet. In deze tijd was er maar één trottoir: het bevond zich op de Pont Neuf en stamde uit 1607. Het tweede trottoir ooit in Parijs gebouwd, in de Rue Odéon, werd pas aan het eind van de negentiende eeuw geïnstalleerd. Tot aan het begin van de twintigste eeuw werd Parijs omringd door muren.

    In de hoge gebouwen woonden de huurders of de eigenaren in meerdere kamers die zich op verschillende verdiepingen bevonden. (Ze woonden dus verticaal in plaats van horizontaal!) Men deelde meestal een keuken.

    De rijken/aristocraten woonden in hôtels, vrijstaande huizen met een tuin. Hun dienaren hadden een kamertje op de zolderverdieping. Verder waren er nog de ambachtslieden en winkeliers die een werkplaats of een winkel hadden in een van de hoge gebouwen en boven hun werk op een van de etages woonden.

    Degenen die het laagst op de sociale ladder stonden waren de gezellen, de leerlingen of andere mensen die bijna geen geld bezaten. Zij hadden meestal maar een kamer en hun omstandigheden waren over het algemeen slecht. Zij huurden ook wel een kamer in een goedkope herberg of zaten in onderhuur. Dit was illegaal en ze werden vaak het slachtoffer van slechte huurbazen.

     

    Parijs

    Het volk voor het stadhuis van Parijs, 1789, door Pierre Gabriel Berthault - Sächsische Landesbibliothek.

     

    Hoe was het met de hygiëne in Frankrijk gesteld in de achttiende eeuw? In deze periode ging de kindersterfte omlaag. Eerder stierf een vierde deel van de kinderen jonger dan een jaar en de helft voor het twintigste jaar. Dat was te danken aan slechte hygiënische omstandigheden en het gevaar voor infecties tijdens de geboorte of in de eerste maanden van het leven van de zuigeling. Vaak overleefde de moeder de bevalling niet.

    In de achttiende eeuw was het iets beter gesteld met de hygiëne dan bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw. Vroedvrouwen begonnen hun handen te wassen voor de bevalling, maar artsen waren niet allemaal zo ver dat ze dat deden. De gemiddelde levensverwachting steeg naar 35-38 jaar. Ter vergelijking: vandaag de dag is het het dubbele daarvan. Maar de levensomstandigheden waren niet voor iedereen gelijk.

    Adel en rijke burgers woonden in de steden, maar maakten slechts drie procent uit van de totale bevolking. Boeren (ongeveer tachtig procent van de bevolking) hadden een onzeker bestaan in het land. Graan was de belangrijkste bron van voeding en als er maar een oogst mislukte, werden de prijzen opgedreven. Keuterboertjes of dagloners die zichzelf verhuurden balanceerden regelmatig op de rand van hongersnood. Bovendien aten deze mensen ongezond en eenzijdig: graanpap, brood of groentesoep en als ze al vlees aten ze alleen varken.

    Een bad nemen of een douche was bijna onmogelijk. Er was geen waterleiding in Parijs. Op het platteland gebruikten de boeren water uit de beken om zich te wassen. Stedelingen deden meestal geen moeite. Over het algemeen werd er zalf gebruikt om jezelf mee in te smeren en parfums om de lichaamsgeur te maskeren. In de stad waren er geen openbare toiletten. In de Jardins des Tuileries waren voldoende bosjes en struiken om je behoefte achter te doen, zodoende rook het er meestal smerig. In de tuinen liet de graaf d’Angiviller dan ook latrines plaatsen die open waren voor het publiek.

    Er waren verordeningen tegen mensen die hun behoefte gewoon achterlieten, deze hadden echter weinig succes. Ook de kades aan de Seine waren open latrines. Ook kamerpotten en dergelijke werden zomaar op de hoek van de straat geleegd. Als ze al zin hadden om naar beneden te komen als ze op de bovenste etages in een gebouw woonden.

     

    Kortom, in Parijs was je je leven niet zeker: op ieder moment van de dag kon er iets vies op je hoofd vallen!

     

    Terug naar boven