Tot de schijt ons doodt

Schietschijf (Bölzlschiessen) zoals die in huize Mozart moet hebben gehangen
(naar een beschrijving van Mozart zelf). De hele familie hield van poep- en piesgrappen.

 

Research hoort bij historische romans. Je moet er heel veel voor lezen en zoeken naar details die het verhaal beeldend en levendig zullen maken. In het geval van De erfenis van Mozart hield dat niet alleen in dat ik boeken over Constanze en Wolfgang verslond, ik heb ook meerdere keren Wolfgangs brieven gelezen. Daaruit kwam het beeld naar voren van iemand die met taal goochelde: rijmen, woordgrappen, associaties in meerdere talen. Moeiteloos, virtuoos, soms wat flauw – eindeloos zijn de poep - en piesgrappen - maar meestal grappig. En wat benijdde ik hem.

 

Want ik ben niet grappig. Mensen die mij goed kennen noemen me lief, zorgzaam en een heleboel andere vleiende (en natuurlijk soms ook minder vleiende) dingen maar zelden grappig. Soms schijn ik wel onbedoeld geestig te zijn volgens mijn liefste. Maar ik kan geen mop vertellen, ik draai geen letters om en verzin nieuwe woorden, ik rijm niet en mijn associaties zijn lang niet altijd te volgen. Omdat mijn  hoofd vol zit met allerlei verhalen en ik niet zelden een zijpad insla als ik aan het woord ben. Maar dit terzijde.

 

Wat nu te doen met die briljante Wolfgang in mijn verhaal? Hoe verzin je grappen om zijn karakter neer te zetten? En nog belangrijker, hoe doseer je dit?

Want ik wilde wel de grappige kant van Wolfgang laten zien, maar hem niet neerzetten als een kinderlijk persoon die te pas en te onpas onzin uitkraamde, zoals een aantal biografen en de makers van de film "Amadeus" hebben gedaan.
En te veel van die flauwe woordgrapjes en je verhaal wordt een soort stripboek met taal als ‘Oink!’ “Boem!’en ‘Kloing!’

 

Grappige Mozart badeendjes in een etalage in Salzburg.

 

Nu heb ik zelf een woordkunstenaar in huis die in veel dingen lijkt op Wolfgang. We hebben dus een aantal van de woordspelingen en geestigheden samen verzonnen. Het moesten achttiende-eeuwse moppen zijn, Mozart waardig.

 

Een paar hebben het boek niet gehaald, zoals bijvoorbeeld: ‘Morgenstond, stank in de mond’. Andere werden afgekeurd door mij als te flauw, te modern of ze pasten simpelweg niet in het verhaal.

 

De Dom van Wenen, waar Mozart en Constanze getrouwd zijn in 1782.

 

Twee zijn er in ieder geval van mijzelf en daar ben ik best trots op. Voor een on-grappig persoon zijn ze goed gelukt.


De ene is de volgende conversatie op een bal:
‘Constanze, wil je met me danze?’
‘Nee, Wolfgang ik wil niet met je sjanze.’


En de tweede: als ze willen trouwen "tot de dood ons scheidt" en Wolfgang tegen Constanze fluistert: ‘Tot de schijt ons doodt.’
Flauw? Misschien. Maar zo zat Wolfgang blijkbaar in elkaar. Als je op zijn brieven afgaat tenminste. En ja, soms is een woordkunstenaar in huis doodvermoeiend. Maar hij brengt toch minstens een keer per dag een glimlach op mijn gezicht.

 

Reageren

Terug naar de blogpagina