Dakscène
Mail Facebook Twitter Instagram

4 april 2014

 

Bij het schrijven van een historische roman ontkom je niet aan onderzoek. Bij het idee voor een verhaal in het verleden stuit je op allerlei details waar je niets van af weet en die je zo goed en zo kwaad als het gaat moet bekijken. Soms dwaal ik uren op Internet om er achter te komen dat ik de locatie van de repetitieruimte van het Nederlands Danstheater in de jaren zeventig ècht niet kan vinden (Boek 3). Dan los ik het maar liever anders op dan dat ik iets verzin. Soms doe ik het toch nog fout omdat ik heel even vergeten ben dat ik het woord ‘panty’ niet gebruiken kan in de jaren veertig (De laatste winter, druk 1). Want natuurlijk heb ik onderzoek gedaan naar wanneer de kousen plaats maakten voor nylons met een broekje met pijpen aan één stuk. En dan baal ik ongelofelijk als er iemand ontdekt dat ik in mijn onnadenkendheid over de panty praat, alsof ik er helemaal geen onderzoek naar gedaan heb. Gelukkig kwam er een herdruk, en natuurlijk werd de fout hersteld.

 

Maar er is ook een andere vorm van onderzoek: van een meer praktische soort. Het soort waar mijn onmisbare echtgenoot heel geschikt voor is. Ik ken geen kritischer lezer dan hij, bijna niemand haalt zoveel details die niet kloppen naar boven. Soms op het irritante af, maar o zo nuttig in het stadium van herschrijven.

 

‘Ik zie het niet voor me,’ zei hij tegen me toen hij de drukproef van ‘Springtij’ las. ‘En het is net zo’n spannend stukje.’

 

Geïrriteerd probeerde ik hem uit te leggen hoe ik het me voorstelde. 1953, ’s-Gravendeel tijdens de watersnood, waarin het water hoger en hoger steeg. De scène waarin hoofdpersoon Sara met haar familie op het dak geklommen was. Waarin zij alleen achterbleef met haar baby Ellie en bedacht dat ze een manier moest vinden hoe ze van het dak afkwam. En daar ging het mis.

 

Ik had een ingewikkelde tocht voor haar bedacht: omhoog het dak op, over de nok, en daarna over de daklatten tot ze bij het raam kwam. Minutieus beschreven, dat wel. Maar blijkbaar niet zo duidelijk, dat je voor je zag hoe Sara dit deed. ‘Niet logisch,’ zei de kritische echtgenoot.

 

Ik zuchtte.

‘Teken het maar voor me,’ zei hij.

 

Ik kan niet tekenen. Ik ben nog net niet in het stadium blijven steken van de kopvoeters. Tekenen is niet een van mijn talenten. Het resultaat van mijn schets (vier infantiele poppetjes op het dak die Sara, haar opa, haar moeder en haar verloofde Lucas moesten voorstellen) was zodanig slecht dat hij het nog steeds niet begreep. ‘Laat het me dan maar zien,’ zei hij.

 

Intussen was ik bijna in staat om die hele scène maar uit het boek te halen, ik had genoeg van zijn gedram, er lag nog ander werk op me te wachten en…ik heb hoogtevrees. Van het soort dat ik groen van ellende tegen de muur geplakt sta op de eerste etage van De notre dame in Parijs. Op reis naar Italië heb ik gillend in de auto gezeten op de Simplon pas. Het duurde weken voor ik de was op durfde te hangen op het balkon van onze flat, toen wij in Duitsland woonden, op acht hoog. Geen haar op mijn hoofd dus, die voor ging doen hoe Sara op het dak stond en terug probeerde te klimmen naar het zolderraam.

 

En dus deed hij het. Hij klom uit ons badkamerraam, liep door de goot en liet me zien hoe je je om zou draaien als je van een bepaalde kant kwam. Hoe je het raamkozijn beet zou pakken. Welk been het eerste over de rand zou gaan… Ik keek bewonderend toe en maakte aantekeningen. Verder was ik blij dat er sinds 1953 niet meer zo’n erge watersnood meer voorgekomen was. Want ik kon me niet voorstellen wat ik het enger zou vinden: het water, of het feit dat ik op het dak zou moeten klimmen.

 

De scène werd naar tevredenheid herschreven. Met dank aan mijn vasthoudende man. Het moet immers wel kloppen…

 

Reageren

Terug naar de blogpagina