Tulpenliefde
Mail Facebook Twitter Instagram

Bloemenboeken-Florilegia Elias van den Broecke De Haarlemse Schutterij Jan Miense Molenaer
Judith Leyster Lijsje Flepkous Kaarten van Haarlem De opkomst van de tulp
 
De Pest De trekschuit De tulpenmanie  

 

Bloemenboeken - Florilegia

Judith Leyster

 

Een van de momenten van inspiratie voor het boek Tulpenjaren kreeg ik toen mijn man en ik de tentoonstelling over Judith Leyster gingen bekijken in het Frans Hals museum in Haarlem.

Ik werd getroffen door de prachtige tulp (een vroege Brabantsson) die zij heeft geschilderd in 1643, te zien in een tulpenboek dat in het Frans Hals museum bewaard wordt.

 

Geschiedenis van het geïllustreerde boek

In ons deel van de wereld was het in de middeleeuwen een enorm kostbare zaak om een boek te maken, omdat dat letterlijk met de hand geschreven moesten worden, op perkament. Later kon men wat grotere oplagen maken door iedere bladzijde in een blok hout in spiegelbeeld uit te snijden en zo afdrukken te maken, maar hout slijt snel.

 

Halverwege de 15e eeuw gebeurde er veel in de westerse boekdrukkunst, omdat er papier beschikbaar kwam en de letterdruk werd geïntroduceerd, waarbij de tekst gevormd werd door afzonderlijke loden letters samen te voegen.  Het eerste grote werk wat in ons deel van de wereld werd gedrukt was de Bijbel, door Johannes Gutenberg tussen 1452 en 1455 gedrukt in Mainz.

 

 

Dit maakte boeken “betaalbaar” – maar nog steeds alleen voor de bovenlaag van de samenleving, namelijk de edelen en rijke burgers. In de eerste tijd verschenen er vooral religieuze uitgaven: Bijbels, lied- en gebedboeken en boeken met heiligenlevens. De afbeelding hierboven is een bladzijde uit zo’n boek. Na het drukken werd er nog wat versiering aangebracht en werden de illustraties ingekleurd. Deze bladzijde vonden mijn man en ik in een antiquariaat in Salzburg, en gaat over het leven van de heilige Euphemia (Femke). Het boek waar de bladzijde uit komt is rond 1485 gedrukt in Neurenberg. Bijna niemand in Duitsland kan de teksten nog lezen, maar voor de meeste Nederlanders is de tekst nog aardig te volgen.

 

Aan het einde van de 16e eeuw was de drukkunst in het westen ingeburgerd en vervolmaakt. Het maken van een boek was goedkoper geworden. Naast religieuze boeken werden er nu ook wetenschappelijke teksten zoals heruitgaven van de klassieke literatuur in het Grieks, Latijn en Hebreeuws uitgegeven. Ook publiceerde men de toen moderne literatuur zoals de werken van William Shakespeare. Tegelijkertijd waren er door de ontdekkingsreizen allerlei vreemde landen, mensen, dieren en planten ontdekt waar de rijkere burgers het fijne van wilden weten. En die boeken moesten natuurlijk geïllustreerd worden, want de mensen wilden vooral ook al die nieuwe ontdekkingen zien. Ook toen gold dat een plaatje meer zegt dan 1000 woorden.

 

Theodor de Bry

 

 

De Luikse goudsmid en graficus Theodor de Bry (1528-1598) voelde de tijdgeest prima aan. Hij legde zich toe op het maken van kopergravures. De Bry kwam in contact met ontdekkingsreizigers en avonturiers, vooral mensen die expedities naar het pas ontdekte Amerika hadden gemaakt. Uit hun verhalen werden zijn kopergravures geboren.  Hij had alles uit de tweede hand, en had de neiging om de inheemse bevolking naakt of minder beschaafd af te beelden dan ze werkelijk waren. Ook speelde hij in op de sensatiebelustheid van het publiek, dus werden mensenoffers en kannibalisme, maar ook de wreedheid van de Spanjaarden, zwaar aangedikt. Met als resultaat dat zijn afbeeldingen erg populair werden in de Nederlanden. En voor de Zuid-Europese markt paste de Bry natuurlijk zijn afbeeldingen aan. Zo legde Theodor de Bry de basis voor een uitgeversdynastie.

 

Johann Theodor de Bry

 

 

Zijn zoon Johann Theodor (1561-1623) zette het werk van zijn vader voort. Aan het eind van het leven van Theodor had hij met zijn zoon gewerkt aan een boek over bloemen, want de nieuwe bloemen die vooral uit Turkije werden aangevoerd waren erg populair aan het worden. En het kopen van een boek over bloemen was veel minder kostbaar dan het kopen van al die bloembollen in die tijd. Bovendien kon je zo’n bloemenboek ook inzien als zij niet in bloei stonden. Verkopers konden het gebruiken als catalogus om hun klanten te laten zien wat er te koop was.

 

 

In 1612 is in Frankfurt het bloemenboek Florilegium Novum uitgekomen. Het bestond uit 87 gravures van exotische bloemen en planten. Volledige boeken zijn zeldzaam en kosten algauw 20.000 euro of meer. In de loop der eeuwen zijn veel van deze boeken uit elkaar gehaald, en zijn de gravures per bladzijde verkocht, dat bracht vaak meer op. Toen ik Tulpenliefde aan het schrijven was heb ik de hierboven afgebeelde bladzijde cadeau gekregen van mijn man. Het laat een Indiase jasmijn zien, samen met een gele en een rode tulp. Deze 4 eeuwen oude bloemen hebben tijdens het schrijven boven mijn bureau gehangen om mij te inspireren.

 

Maar ook Johann Theodor de Bry bleef het publiek van sensatie voorzien, zoals de afbeelding hieronder uit 1618, die de ontvoering van de indianenprinses Pocahontas moet voorstellen. Inderdaad: de Pocahontas die ook in de gelijknamige Disney tekenfilm voorkomt. Let op de duivelse trekjes van de “indiaan” linksonder.

 

Matthaeus Merian

 

 

In 1616 kwam de Zwitserse graveur Matthaeus Merian (1593-1650) naar Frankfurt en kwam bij Johann Theodor de Bry in dienst. Ze hebben samengewerkt bij het maken van veel kopergravures die onder de naam van de Bry zijn uitgegeven. In 1617 trouwde Merian met Maria Magdalena, dochter van Johann Theodor de Bry. In 1620 vertrokken zij naar Basel, waar Merian vandaan kwam, maar toen de Bry in 1623 overleed, kwamen zij weer terug naar Frankfurt, om de uitgeverij voort te zetten.

 

Een gravure die het talent van Merian goed laat zien is zijn gezicht op Frankfurt uit 1612, die de afbeelding hierboven.

 

Onder leiding van Merian ging de uitgeverij meer aardrijkskundige en alchimistische boeken uitgeven. Zijn zoon, die later de uitgeverij zou overnemen, was ook een getalenteerd graveur en werkte aan veel stadsgezichten mee.

 

Maar de oude bestsellers van de familie de Bry werden natuurlijk ook door Merian verbeterd en uitgegeven. Zo kwam in 1641 een heruitgave van het florilegium uit 1612: het Florilegium renovatum et auctum. Deze uitgave was meer dan dubbel zo dik, want er waren nu maar liefst 174 kopergravures in te vinden. Een heel mooi exemplaar, door Merian zelf met de hand ingekleurd, is in 2010 bij het Londense veilighuis Sotheby’s verkocht voor ruim 180.000 pond.

 

Na de dood van Maria de Bry hertrouwde Merian, en uit dat tweede huwelijk is in 1647, een dochter geboren: Maria Sybilla Merian. Matthaeus Merian stierf 3 jaar later, in 1650.

 

Maria Sybilla Merian

 

 

Maria Sybilla Merian (1647-1717) was een zeer getalenteerde illustrator, gespecialiseerd in bloemen, planten en insecten.

 

Zij raakte onder de invloed van de denkbeelden van Jean de Labadie. Zijn volgers hadden in Friesland een protestantse piëtistische sekte gesticht. Maria sloot zich hierbij aan en kwam daarom in 1685 in Wiewerd in Friesland wonen, samen met haar moeder en man. Haar halfbroer Caspar woonde er al sinds 1677.

 

In 1691 kwam ze naar Amsterdam, waar zij werd opgemerkt door Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, die toen gouverneur van Suriname was. De stad Amsterdam subsidieerde een reis naar Suriname voor haar, waar zij de metamorfose van insecten bestudeerde. Bijvoorbeeld hoe een rups een vlinder wordt. Maar ook heeft ze veel van haar eigen schilderijen moeten verkopen om de expeditie te betalen. Zij was in Suriname van 1699 tot 1701, toen ze malaria kreeg en gedwongen was om terug te gaan naar Nederland.

 

Daar kwam in 1705 Metamorphosis Insectorum Surinamensium , haar boek over Surinaamse insecten uit. Geleerde tijdgenoten waren een groot bewonderaar van haar werk. Vanaf 1975 kwam haar werk weer meer in de belangstelling te staan en kenden veel mensen haar weer als de grote kunstenares die zij was.

 

Anderen

 

Door nu één bekende en succesvolle uitgevers- en illustratoren familie te beschrijven zou je kunnen denken dat er niet veel meer gebeurde op het gebied van de bloemenboeken. Niets is minder waar, want er zijn er heel veel uitgegeven, door grote namen als Dodoens, Gesner, de Lobel, Clusius en Sweert, zie Wikipedia.

 

 

En dat er ook in de 18e eeuw prachtige tulpen geschilderd werden, bewijst deze foto, van een aquarel uit die tijd die ook boven mijn bureau heeft gehangen bij het schrijven van Tulpenliefde. De maker ervan is helaas onbekend.

 

Terug naar boven

 

Elias van den Broecke

Toen ik Tulpenliefde bedacht, waarin schilderen een belangrijke rol speelt, wilde ik heel graag dat mijn voorouder Elias van den Broecke er ook in zou voorkomen. Zijn leven heb ik altijd al interessant gevonden. Ik leerde hem tegen het jaar 2000 “kennen” op het stadsarchief van Amsterdam, toen ik die kant van mijn familie onderzocht, samen met mijn man.

 

Alleen speelde mijn boek zich lang voor de geboorte van Elias af. Maar dat is nu net het verschil tussen een geschiedenisboek en een historische roman: in een roman mag je, zeker als het over minder belangrijke personen in het boek gaat, de feiten naar je hand zetten. En dus heb ik Elias in Leiden laten wonen, en hem ruim 50 jaar eerder geboren laten worden. Zo kon ik toch een stuk van het levensverhaal van mijn voorouder opnemen in mijn verhaal.

 

Elias van den Broecke was een zoon van Johannes van den Broecke en Susanna van Diependael. In de kerkboeken is er niets over zijn geboorte terug te vinden, maar omdat zijn ouders trouwden in 1651 in Amsterdam en zijn moeder daar stierf in 1655, moet hij tussen die twee data geboren zijn. Hij werd vernoemd naar zijn opa, Elias van Diependael. De ouders van Elias waren niet onbemiddeld: ze woonden op de Prinsengracht in Amsterdam en zijn moeder bezat een vermogen van 8000 gulden toen zij trouwde. Daar kon je toen een mooi grachtenpand van kopen. De kleine Elias erfde 2000 gulden uit de nalatenschap van zijn moeder.

 

In 1665 was Elias oud genoeg om “in de leer” te gaan (om een beroep te leren). In februari van dat jaar was er nog sprake van dat hij naar een zilversmid zou gaan, maar in augustus werd een overeenkomst bereikt met de bloemenschilder Cornelis van Kick. Elias zou 4 jaar lang bij hem in opleiding zijn en bij hem wonen. Daarna ging Elias in Utrecht 2 jaar lang verder leren, bij de stillevenschilder Johan de Heem, die in de notarisstukken werd omschreven als wijtvermaerde constschilder binnen Utrecht. Elias woonde daar in bij zijn oom en tante.

 

In 1672 (het rampjaar) werd het oorlog in ons land, en Johan de Heem ging terug naar Antwerpen, waar hij vandaan kwam. We vinden ook Elias terug in de boeken van Antwerpen, waar hij in 1673 vrijmeester werd. Het lijkt er dus op dat hij daar is gaan wonen, maar er is ook een Amsterdamse akte bekend van eind 1672, waar hij het laatste deel van de erfenis van zijn moeder krijgt uitbetaald tot voortzetting van zijn voyagie (reis) naar Italië.

 

Ongeveer 10 jaar later zien wij hem weer opduiken in Amsterdam. Hij was toen getrouwd met Maria Lenaerts (onbekend wanneer en waar) en liet vanaf 1687 een aantal kinderen dopen in de R.K. schuilkerk aan het Kuiperspad.

 

 

In 1729, ruim 20 jaar na de dood van Elias, komt er een boek uit van Jacob Campo Weijerman, waarin de biografieën van veel bekende schilders staan. Het stukje over Elias begint al goed: zijn schilderstijl was beter dan zijn levensstijl, aldus Jacob. Volgens hem was Elias goed in het schilderen van bloemen, kruiden, hagedissen en slangen. Hij zou Antwerpen hebben moeten verlaten omdat de in fluweel gebroekte Sinjoors van die stad hem beschuldigden dat hij ‘die vlinders op zijn doeken plakte en ze niet naschilderde’. In Amsterdam maakte hij een goede start, maar hij scheen nogal koppig te zijn en ruzie te maken met zijn belangrijkste klant en weldoener. Dat liep zo hoog op dat het tot een breuk tussen de twee heren kwam. De klant wilde zelfs geen schilderij van Elias meer zien. De totale collectie werd in één keer aan andere kunstliefhebbers aangeboden met de woorden: Daar staan de schilderijen, Heeren, geef er zo veel en zo weijnig voor als je begeert, want ze zijn doorns in mijne oogen. En zo kon je een van den Broecke kopen voor 25 tot 30 gulden, terwijl Elias ze kort daarvoor nog voor 150 gulden had verkocht! Zijn markwaarde was in één dag in elkaar gestort, en hij kwam vanaf toen maar moeilijk aan inkomen.

 

Hij woonde in Amsterdam, op het Molenpad buiten de Utrechtse poort. Hij had daar een fraaie bloementuin tot zijn beschikking, die hem inspireerde voor zijn stillevens. Hij overleed in 1708 in Amsterdam, ongeveer 55 jaar oud. Elias van den Broecke signeerde bijna geen van zijn stukken, en daarom zijn er maar een paar overgebleven waarvan wij echt met zekerheid weten dat ze van zijn hand waren.

 

Het Rijksmuseum heeft er 2 in depot en de Galerie alte und neue Meister in Schwerin heeft een doek van hem in de permanente tentoonstelling.

 

Terug naar boven

 

De Haarlemse schutterij

In Tulpenliefde laat ik in 1636 Christiaan Blansjaar, een door mij verzonnen romanfiguur, jaloers zijn op Cornelis Coningh (1601-1671).
In het boek lopen de historische feiten en de fictie door elkaar.

Cornelis was een graveur die veel samenwerkte met Samuel Ampzing, die in 1628 een beroemd geworden boek over Haarlem heeft geschreven. Cornelis was een stuk succesvoller dan Christiaan. Hij heeft allerlei posities in het stadsbestuur van Haarlem bekleed en werd in 1660 zelfs benoemd tot burgemeester.

 

Mijn personage Christiaan wilde niet alleen graag een belangrijke post bij de schutterij krijgen, maar hij wilde ook graag een belangrijk schilderij (een schuttersstuk) voor hen maken, net zoals Frans Hals dat had gedaan in 1627. Dat schilderij van Hals is nu nog te bewonderen in het Frans Hals museum in Haarlem en staat bekend als de Maaltijd van de officieren van de Cluveniersschutterij.

 

Maar zelfs een toen belangrijk man als Coningh zou nu bijna vergeten zijn als hij niet vereeuwigd was door Frans Hals (zie het schilderij hierboven). Zonder Hals zouden wij zelfs zijn geboortejaar niet meer hebben geweten: op het schilderij dat Hals in 1630 van Coningh maakte, staat te lezen dat hij toen 29 jaar oud was.

 

In 1639 maakte Frans Hals een schuttersstuk van de officieren en onderofficieren van de Sint Jorisschutterij. Daarop staan Cornelis Coningh en zijn broer Hendrik allebei als luitenants afgebeeld. De overlevering wil dat Frans Hals ook zichzelf heeft afgebeeld op dit schilderij, maar dat weten we niet zeker, omdat we niet in de archieven terug kunnen vinden dat hij een schutter was, in dat jaar.

 

Mijn personage Christiaan is een ambitieuze jongeman en dat komt in Tulpenliefde tot uiting in 1636. Zo ben ik ook aan Cornelis Coningh gekomen, want volgens de archieven is hij in 1636 benoemd bij de Cluveniersschutterij en Cornelis was dus een geschikte concurrent van Christiaan in dat jaar.

 

In Haarlem waren er twee schutterijen: De Sint Joris- en de Cluveniersschutterij. Schutters hadden de taak om de openbare orde te bewaken, een taak die de politie tegenwoordig heeft. Ze werden ook opgeroepen als de stad tegen aanvallen verdedigd moest worden, of als een belangrijk persoon de stad bezocht. Zij hadden dan een meer ceremoniële taak.

 

Niet iedereen kon het zich veroorloven om schutter te zijn, want zij moesten hun eigen wapenuitrusting betalen. Alleen de rijkere burgers waren lid van deze groepen. De officieren van de schutterij werden door het stadsbestuur benoemd. Dat waren vaak personen uit de hoogste kringen. Je ziet vaak dat mensen uit het stadsbestuur officier bij de schutterij werden, en andersom.

 

De officieren werden voor een periode van 3 jaren benoemd. Het was vaak aan het einde van deze periode dat men een schilder de opdracht gaf om het gezelschap te vereeuwigen in een schuttersstuk. Die stukken werden dan opgehangen in de Doelen, het gebouw waar de schutters bijeen kwamen.

 

Om het einde van hun ambtstermijn te vieren, kregen de officieren van de schutterij een feest aangeboden. Deze feesten werden steeds omvangrijker en konden vele dagen duren. Omdat dit vaak samenging met grote onmatelijcke verslindinghe van spijs ende dranck heeft het stadsbestuur van Haarlem bepaald dat deze feesten maximaal drie dagen lang mochten duren.
Het zijn deze feestmalen die Frans Hals in zijn schuttersstukken heeft afgebeeld.

 

Terug naar boven

 

Jan Miense Molenaer

 

Jan Miense Molenaer was een schilder die rond 1610 in Haarlem werd geboren, en daar in 1668 is overleden. Hij had een atelier met leerlingen in Haarlem. Hij was niet alleen schilder maar ook kunsthandelaar en hij handelde op de huizenmarkt. Jan bezat samen met zijn vrouw, Judith Leyster, hofstede Het Lam in Heemstede, waarvoor zij in 1648 het bedrag van 8200 gulden hebben betaald.

 

Hierboven zien wij Jan Miense Molenaer, het is een zelfportret uit 1640, dat nu in de Bayerische Staatsgemäldesammlungen in München hangt.

 

Jan trouwde met Judith in 1636, in Heemstede. Na hun huwelijk zijn zij in Amsterdam gaan wonen. In 1648 zijn zij weer naar Haarlem teruggegaan. In 1659 werden Jan en Judith heel ziek. Jan herstelde, maar Judith overleed een paar maanden later op hun hofstede Het Lam in Heemstede.

 

Algemeen wordt aangenomen dat Jan een minder talentvolle schilder was dan Judith, en dat Judith na haar huwelijk meewerkte in zijn atelier. Zie voor meer hierover de achtergrondinformatie over Judith.

 

Als je iets te weten wilt komen over een persoon die 400 jaar geleden leefde, dan moet je goed je best doen. Van personen uit de vroege 17e eeuw die niet beroemd zijn geworden, vind je (als alles meezit) alleen maar de doop en het huwelijk in de kerkboeken terug. En soms ook de begraafdatum, want dat werd lang niet altijd bijgehouden.

 

 

Nu hebben wij het geluk dat Jan Miense Molenaer bekend was en dat er veel schilderijen van hem zijn overgebleven. Dat geeft een inkijkje in zijn talent, maar ook in zijn omgeving: hoe kleedden mensen zich toen, en hoe zag het er binnen in huis uit? Zo geeft zijn doek Schilder in zijn atelier (zie hierboven), te zien in het museum Bredius, een goed idee van hoe een schilder in zijn tijd te werk ging.

Misschien zag het er zo wel uit in hun eigen atelier, maar het kan ook zo zijn dat Jan Miense Molenaer zijn werkplaats alleen als voorbeeld heeft genomen en een aantal veranderingen op het schilderij heeft aangebracht omwille van de compositie.

 

Het gebeurde vaak dat een schilder de werkelijkheid net een beetje anders weergaf en daarom kunnen we er niet altijd van op aan dat wat wij nu op een schilderij zien er ook precies zo uitzag. Maar het geeft wel een goede indruk en dichter bij het verleden kunnen we bijna niet komen.

Een ander voordeel van onderzoek doen naar een bekende kunstenaar, is dat er al artikelen en boeken gepubliceerd zijn over zijn leven en werk, zodat je als romanschrijfster niet alles zelf meer in de archieven hoeft na te zoeken.

 

In de archieven vind je bijvoorbeeld uit die tijd notaris archieven, verslagen van rechtszittingen, belastingregisters terug die ook meer informatie over personen kunnen geven. Dat Jan en Judith bijvoorbeeld een kapitale boerderij met bijgebouwen bezaten valt na te lezen in het testament dat zij hebben laten maken. Waren zij nu arm geweest dan viel er niets te erven en dan hadden zij ook geen testament laten maken.

 

En soms vind je een akte die bijzonder is, omdat het als het ware een venster is waardoor je direct hun tijd kunt binnenkijken. Zowel arme als rijke mensen doen wel eens iets fout of maken ruzie en dan loop je de kans om voor de rechter gesleept te worden. Dat gebeurde ook Jan Miense Molenaer, kort voor zijn huwelijk met Judith Leyster.

 

 

Op 3 mei 1636 komen een aantal mensen een verklaring afleggen voor de rechtbank van Haarlem. En daaronder waren niet de minsten: Dirk Hals, schilder en broer van de beroemde Frans Hals, Adriaen Jekermans, de meester van de grote Latijnse school in Haarlem, en Mr. Jasper van Heemskerck, chirurgijn te Haarlem.

 

Wat was het geval? Jan had een rijffelarij (een verloting) georganiseerd. Een goed schilderij was duur, en veel mensen wilden wel een gokje wagen om iets moois te kunnen winnen. De bedoeling van de organisator van zo’n loterij was natuurlijk om zo veel loten te verkopen, dat je meer geld verdiende dan wanneer je je schilderij op de normale manier verkocht had. Deze loterijen waren hele happenings, de trekking was ook een show die enige uren duurde en die je onder het genot van een drankje en hapje bijwoonde.

 

De loterij georganiseerd door Jan Miense Molenaer was een week of 3 na Pasen in 1636, en Pasen viel heel vroeg dat jaar, al op 23 maart. Hij werd gehouden in het huis van Gillis Willemsz., bij de Grote Houtpoort. Jasper Heemskerck had drie loten gekocht, nr. 1, 5 en 7. De moeder van Jan Miense mocht de hoofdprijs trekken, en die viel op een van de loten van Jasper. Jan was het er niet mee eens dat Jasper gewonnen had, en riep uit: “daer krijcht dat honsvotge een prijs, ende bij soo verre hij gene prijs gecregen hadde, soo en ick gelijck Mr. Heijndrick van Adrichem tegens mij gesecht heeft, daer geen gelt van gecregen hebbe.”

 

Met andere woorden: Jan had nog geen geld van Jasper gekregen voor de loten, en daarom had hij ook geen recht op de prijs vond hij. Dat wordt bestreden door de getuigen. Willem Thomasz., die bediende was tijdens de loterij, vertelt dat het helemaal niet gebruikelijk was dat de loten al vóór de trekking betaald moesten zijn. Dirck Hals was ook bij loterijen geweest waarbij de loten pas achteraf betaald werden. En Adriaen Jekermans vertelt dat er anderen waren bij deze loterij die hun loten ook nog niet betaald hadden, maar wél hun prijs hadden gekregen.

 

Het is helaas niet duidelijk wie de rechtszaak uiteindelijk gewonnen heeft.

 

Terug naar boven

 

 

Judith Leyster

 

Judith Leyster (1609-1660) was de enige vrouwelijke schilder met een eigen werkplaats die lid was van het schildersgilde in Haarlem. Ze liet zich in 1633 op drieëntwintig- of vierentwintigjarige leeftijd inschrijven in het Sint - Lucasgilde. Deze inschrijving was nodig om een zelfstandig atelier te kunnen hebben. Haar werkplaats was waarschijnlijk gevestigd in de Korte Barteljorisstraat (nu gelegen in de Brinkmann-Passage aan de Grote Markt).

 

Haar vroegst bekende gesigneerde werk is van 1629 en vertoont invloeden van Frans Hals en van zijn jongere broer Dirck Hals. Het kan ook zijn dat ze deel heeft uitgemaakt van de werkplaats van Frans Hals. Haar rond 1633 geschilderd zelfportret, dat nu in de National Gallery of Art in Washington D.C. hangt (zie hierboven), laat een zelfbewuste jonge vrouw zien die met het aantal in één hand gehouden penselen haar vakbekwaamheid toont.

 

Ze kwam niet uit een artistieke familie, wat ook bijzonder is. Veel meisjes die schilderden werden opgeleid in de werkplaats van een familielid en werden geen meester-schilder. In de zeventiende eeuw was een gehuwde vrouw handelingsonbekwaam en trad haar man op als voogd, in geval van een ongehuwde vrouw was dat de vader of bijvoorbeeld een broer.

 

Judiths vader Jan Willemsz. was één van de vele textielarbeiders die aan het einde van de zestiende eeuw uit de Zuidelijke Nederlanden was gekomen vanwege de godsdienstvrijheid en de economische bloei van Holland. Haar vader was een smalwerker, een maker van smalle weefsels katoen, wol of zijde, vaak met behulp van door schilders getekende patronen. Hij was getrouwd met Trijn Jaspersdr. Judith was de één op na jongste van negen kinderen en werd op 28 juli 1609 in de Grote Kerk te Haarlem gedoopt.

 

In 1618 kocht Jan Willemsz. brouwerij De twee croonen met t cruys,  gelegen op de Bakenessergracht, vlak bij het Donkere Spaarne. Hij veranderde de oude naam van de brouwerij in Leystar.  Deze naam stond ook op een uithangbord van zijn huis in de Vranckensteeg dat hij in 1605 had gekocht en in 1619 weer verkocht. Hij bezat ook het huis daarnaast en het is waarschijnlijk dat het eerstgenoemde of het laatstgenoemde huis het geboortehuis van Judith is. Zoals vaker gebeurde werd het huisteken (De Leystar) een achternaam.

 

In 1624 gingen Judiths ouders failliet. Op 6 januari werd de brouwerij met grond, opstallen en inventaris voor 10.400 gulden verkocht en het aangrenzende huis met mouterij voor 5520 gulden. Jan Willemsz. en Trijn Jaspersdr. weken uit naar Vreeland, een dorp dicht bij Utrecht.
Van Judiths broers en zussen is weinig bekend.

 

Judiths ouders waren niet zo rijk dat ze hun kinderen vrij konden houden van werk, maar ze bezaten wel zo veel dat ze schoolgeld konden betalen en een vakopleiding. Ook Judith kon blijkbaar kiezen voor een duur vak met een hoog leergeld; het schildersvak. We weten niet bij wie Judith in de leer was. Waarschijnlijk kreeg ze haar eerste schilderlessen van de portret- en historieschilder Frans Pietersz. De Grebber. Als haar ouders haar in de leer deden bij de Grebber tussen haar elfde en haar zestiende jaar, zoals gebruikelijk was, dan was dat misschien omdat De Grebbers dochter Maria ook in het atelier aanwezig was.

 

De afbeelding hieronder laat een detail van haar oudste gesigneerde werk zien. Zij signeerde met een monogram: een "J" en een "L" aan elkaar vast, gevolgd door een ster: J[udith] L[ey]ster.

 

 

Op 11 mei 1636 trouwde ze met Jan Miense Molenaer. Ook hij moet voor zijn huwelijk een atelier hebben gehad. Net als Judith wordt hij beschouwd als een leerling van Frans Hals. Dat zij voor hun huwelijk al samen in één atelier hebben gewerkt, kan niet worden bewezen door archiefbronnen, zelfs al bestaat het vermoeden dat zij meerdere malen schilderattributen hebben gedeeld.

 

 

Aan Judith Leyster worden 48 werken toegeschreven, waarvan er 12 onvindbaar zijn. Bekende werken van haar zijn bijvoorbeeld: De serenade (1629), Pekelharing (1629, zie hierboven), Man die een vrouw geld aanbiedt ( 1631) en Jongen met fluit (ca. 1635).

 

Na haar huwelijk met Jan Miense Molenaer verhuisde het paar naar Amsterdam. Daar kreeg Judith vijf kinderen, de oudste geboren in 1637 en de jongste in 1650. Of dit het einde van haar schilderscarrière betekende is onbekend, wel is er van na haar huwelijk bijna geen werk meer bekend. Een voorbeeld van haar latere werk wordt in het Frans Hals museum in Haarlem bewaard. Het is een bloemenboek (florilegium), met een bladzijde waarop een prachtige tulp staat, een vroege Brabantson. Het is gesigneerd met Judiths monogram en het jaartal 1643.

 

Ik wil zelf graag geloven dat Judith is doorgegaan met schilderen in het atelier van haar man en dat ze zijn zakelijke belangen behartigde.

 

Het is ook bekend dat Judith de rust in hun hofstede in Heemstede verkoos boven de drukte van Amsterdam. Zij was daar vaak te vinden. In het najaar van 1659 werd zij, net als haar man, zwaar ziek. Jan overleefde de ziekte, maar Judith is begin februari 1660 op de hofstede overleden. Zij is op 10 februari 1660 in Heemstede begraven.

 

Terug naar boven

 

 

Lijsje Flepkous

 

In de vroege 17e eeuw werden er regelmatig Zingende Kluchten opgevoerd op jaarmarkten en andere evenementen waar er veel mensen samenkwamen. Het waren komische musicals, waarin liedjes werden gezongen op wijsjes die iedereen kon meezingen. De grappen die gemaakt werden waren vrij plat naar onze smaak en erg populair.

.

In Tulpenliefde laat ik mijn personages kijken naar de opvoering van Lijsje Flepkous. Fleppen is een oud woord voor “zuipen”, “veel alcohol drinken”.

 

Het verhaal is eenvoudig: het gaat over Knelis, die achter Lijsje aanzit. Maar zij moet niets van hem weten. Ze besluit hem een lesje te leren: ze doet alsof ze toch wat voor hem voelt, gaat met hem uit en ze drinkt Knelis onder de tafel.

 

Als hij goed beneveld is, giet zij eierstruif in zijn broek, zodat hij als hij wakker zal worden zal denken dat hij het in zijn broek gedaan heeft. En om het nog erger te maken, hangt Lijsje, als Knelis weer wakker wordt, een klapbus met nat buskruit aan zijn achterste en steekt het in brand. 

 

 

Het hoogtepunt van het stuk is dat Knelis zingt:

 

Wat drommel voel ick hier
My dunckt ik ben vol vyer (= vuur)
O mijn aers is in brand!

 

En Lijsje zingt tot slot:

 

Ghy Jongmans die uyt vrijen gaet
De eere houdt voor oogen
Want quaed beloont de Heer met quaed
In ’t end word ghy bedrogen.

 

Het bijzondere van deze klucht is dat wij er heel veel over weten. De volledige tekst is bewaard gebleven, en maakt deel uit van de bundel De Friesche lusthof (zie hierboven voor de voorkant van het boek), geschreven door Jan Janszoon Starter en uitgegeven in 1621. Starter was van Engelse afkomst en is met zijn ouders naar Nederland gekomen omdat er in ons land toen een grotere godsdienstvrijheid heerste dan in Engeland.

 

Het was in die tijd niet de gewoonte om ook de melodieën van de liederen op te schrijven. Dus wij wisten heel lang niet hoe deze klucht geklonken heeft. Dankzij het onderzoek van de onlangs overleden prof. dr. Louis Peter Grijp en de Nederlandse Liederenbank van het Meertens Instituut in Amsterdam, kennen wij nu ook de melodieën die bij deze teksten hoorden. En het was natuurlijk geen grote verrassing dat veel van die liedjes uit Engeland afkomstig waren. Het hele genre van de Zingende Klucht is aan het begin van de 17e eeuw vanuit Engeland naar ons land komen overwaaien.

 

In 2007 is voor het eerst in ruim 350 jaar de klucht weer opgevoerd in Utrecht, door Camerata Trajectina. De CD die hiervan is uitgebracht heb ik gekocht en heeft mij geïnspireerd om deze scene in Tulpenliefde te schrijven.

 

 

Stukjes uit de uitvoering van Lijsje Flepkous (klik op het beeld om de film te starten).

 

 

Terug naar boven

 

 

Kaarten van Haarlem

 

Haarlem is een middeleeuwse stad. Veel van de middeleeuwse lay-out van de stad is nog te herkennen rondom de Grote Markt, het Stadhuis, de Vishal en de Grote of Sint Bavokerk. Maar er gebeurt nogal wat in zo’n stad in al die eeuwen: huizen raken verloren door brand, of hele wijken worden verwoest door oorlog of rampen. In onze tijd gebeurt dat ook nog, denk maar eens aan de vuurwerkramp in Enschede.

 

Soms verandert de stad omdat de tijden veranderen. Verdedigingswerken moeten aangelegd worden. De gracht wordt gedempt en een molen raakt overbodig. Een fabriek gaat failliet en dat rijtje armoedige arbeidershuisjes gaat tegen de vlakte om er een mooi en statig pand neer te zetten. Of er moet een snelweg, spoor- of tramlijn worden aangelegd.

 

 

Als de tijden goed zijn, trekt de stad nieuw volk aan. Allemaal mensen die daar hun geld hopen te verdienen en hun kinderen groot te zien worden. Dan zijn er nieuwe wijken nodig. In de tijd dat de steden omringd waren door grachten was er steeds een nieuwere, nog grotere cirkelvormige gracht rondom het centrum nodig. Dat noemde men in de zeventiende eeuw een uitleg. Amsterdam is daar een heel mooi voorbeeld van, zie de kaart hierboven. De Singel, de Herengracht, Keizersgracht en de Prinsengracht: allemaal steeds groter wordende halve cirkels rondom het oude, middeleeuwse centrum van de stad.

 

Omdat Amsterdam oorspronkelijk aan de zuidkant van het IJ lag en de Amstel werd “getemd” door de Dam, konden deze halve cirkels rondom het centrum worden gemaakt. In Haarlem werd de plattegrond van de stad gedomineerd door het Spaarne. Het centrum lag aan de westkant van de rivier, maar al in de zestiende eeuw lag ook een deel van de stad aan de oostkant. Dan moet je als stadsarchitect andere keuzes gaan maken als de stad moet worden uitgebreid.

 

Als je een boek gaat schrijven over het Haarlem van 1635 komen er ook scenes in het boek voor waarin je de stad beschrijft. Je hoofdpersonen lopen op straat en zien allerlei dingen. Het is belangrijk dat je als schrijver goed weet wat er in dat jaar wel en niet in de stad stond aan opvallende gebouwen. En of die gracht al gedempt was, of nog niet.

 

 

Daarbij zijn oude kaarten een goed hulpmiddel. De twee die ik heb gebruikt zijn die van Pieter Saenredam en Willem Akersloot, uit 1628 (zie hierboven), en die uit 1646, van Joannes Blaeu (zie hieronder). Er is ook een kaart van hoe Haarlem er in 1634 uitzag, door Marcus Boxhorn, maar die was minder gedetailleerd.

 

 

Overigens is er ook in 1641 een kaart van Haarlem uitgebracht door Matthaeus Merian, die we ook terugzien in het stukje over de bloemenboeken.

 

Om te snappen hoe de indeling van de stad tot stand gekomen is moet je wat van de geschiedenis van de stad weten. Zoals dat bij het beleg van Haarlem in 1576 een grote stadsbrand heeft gewoed, die een vierde deel van de stad in de as heeft gelegd. Hoe dat er uit heeft gezien in 1578 was te zien op een kaart van Thomas Thomassen en Joannes van Doetekum. Die brand bleef natuurlijk nog lange tijd tot de verbeelding spreken en in 1628 kwam er een heruitgave, gemaakt door Pieter Saenredam en Willem Akersloot.

 

In 1627 werd er besloten tot het maken van een nieuwe uitleg: het ging goed in de stad en die moest uitgebreid worden om al die nieuwe inwoners te huisvesten. Dat betekende dat de kaart uit 1628 van Saenredam eigenlijk iets te vroeg was voor mijn verhaal en de kaart uit 1646 van Blaeu weer iets te laat.

 

Met hulp van de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam heb ik hele goede kopieën van deze twee kaarten gekregen op groot formaat. Door deze twee kaarten te vergelijken met elkaar en wat aanvullend literatuuronderzoek te doen heb ik een goed beeld kunnen vormen in mijn hoofd van hoe Haarlem er uit moet hebben gezien in 1635.

 

Terug naar boven

 

 

De opkomst van de tulp

 

De wilde tulp is er in vele soorten en maten en komt in een groot gebied voor, van Noord-Afrika en Zuid-Europa tot aan het noordwesten van China.

 

Hierboven staat de tulipa agenensis afgebeeld, een rood-gele wilde tulp die in het oostelijke middellandse zee gebied voorkomt. Deze foto is gemaakt in Israël.

 

De grootste variatie in soorten wordt gevonden in centraal Azië, in de bergen aan de voet van de Himalaya. Daar is het klimaat het meest geschikt voor deze bloem: koude winters, lange lentes met koude nachten, en droge zomers. Daarom houdt de tulp ook van Nederland.

 

Tulpen in Turkije - van Busbeke

In de 15e eeuw was de tulp al geen wilde plant meer in Turkije, maar werd deze veredeld en geteeld onder sultan Mehmed II. In de 16e eeuw werd de tulp een bekende bloem in het Ottomaanse Rijk van sultan Süleyman I. Zijn veldtochten brachten hem in 1529 en 1532 tot aan de poorten van Wenen. Zijn tegenstander was Ferdinand I, bestuurder van Oostenrijk namens zijn oudere broer Karel V, die keizer van het Heilige Roomse Rijk was. Ook Nederland (ook al heette ons land toen nog niet zo) viel onder het bestuur van Karel V.

 

 

Na het beleg van Wenen verminderden de spanningen tussen Oostenrijk en Turkije en in 1554 stuurde Ferdinand I een afgezant naar de Sultan, de Vlaamse humanist Ogier Gisleen van Busbeke, hierboven afgebeeld. Hij schreef boeken over zijn verblijf in Turkije, waardoor ook in Europa goede informatie beschikbaar kwam over het Ottomaanse Rijk. En hij was geïnteresseerd in planten. Dankzij hem zijn de hyacint, de sering en de lelie naar West-Europa gekomen. In 1555 schrijft van Busbeke in een van zijn Turkse brieven aan Ferdinand, zijn opdrachtgever, over een witte bloem: Quos Turcae Tulipan vocant (die de Turken tulipan noemen). Hij had de bloem al in 1551 gezien bij een eerder bezoek aan de tuinen van de sultan in Edirne

 

Europese bezoekers in Turkije wilden heel graag zo’n exclusieve en exotische bloem mee naar huis nemen. Sommigen zullen er voor betaald hebben, en er zal ook wel eens een gestolen zijn. En een belangrijke diplomaat zoals van Busbeke kreeg er een paar cadeau van de sultan om aan te bieden aan het hof van Wenen.

 

Het is uit de boeken bekend dat er kort na 1550 al tulpen bloeiden in Italië. We weten ook dat er in 1559 een tulp bloeide in de tuin van een van de stadsbestuurders van Augsburg. En in 1562 stuurde Ogier van Busbeke een partij tulpenbollen per schip naar de haven van Antwerpen, samen met een lading Turkse stoffen.  Er is een oud volksverhaal dat vertelt dat de stoffenkoopman dacht dat het uien waren, ervan proefde en het naar niets vond smaken. Zo belandden de bollen op de vuilnisbelt. Het jaar daarna bloeiden daar prachtige tulpen. Of het waar is of niet: het is een ijzersterk verhaal, en spreekt veel mensen tot de verbeelding. De oplettende lezer zal het thema ook in Tulpenliefde voorbij zien komen.

 

Tulpen in Leiden - Clusius

 

Charles d’Ecluse, of Carolus Clusius, zoals hij zijn naam in het Latijn schreef, was een Franstalige wetenschapper uit Vlaanderen die eerst rechten studeerde, 8 talen leerde, toen arts wilde worden, maar vanaf 1551 zo gegrepen werd door (geneeskrachtige) kruiden en planten, dat de plantkunde uiteindelijk zijn beroep zou worden.

 

Vanaf 1546 studeerde hij in Leuven, aan het Collegium Trilingue en daar leerde hij de 4 jaar oudere Ogier Gisleen van Busbeke kennen. Dat werd het begin van een vriendschap die tientallen jaren zou duren. Je zou zelfs kunnen zeggen dat deze vriendschap de reden is geweest dat de tulp naar Nederland is gekomen.

 

Clusius bracht het tot hofplantkundige (botanicus) aan het Keizerlijke hof in Wenen (1573-1577). Hij bleef ook in Wenen werken toen hij door de nieuwe keizer (Rudolf II) ontslagen werd, tot 1588. Clusius was namelijk protestants, en Rudolf ontsloeg bij zijn aantreden iedereen aan het hof die niet Rooms katholiek was. In de Weense hoftuin verzamelde Clusius allerlei zeldzame en exotische planten. Vooral de planten uit de Alpen en de bolgewassen uit Turkije die werden opgestuurd door van Busbeke en andere gezanten zoals narcissen, hyacinten, keizerskronen en tulpen. Het portret van Clusius, hierboven, is in 1585 in Wenen gemaakt.

 

Na een periode in Frankfurt te hebben gewoond kwam Clusius met zijn plantenverzameling eind 1593 aan in Leiden, waar hij hoogleraar aan de universiteit werd. Hij werd daar de eerste Praefectus horti (directeur van de hortus botanicus, botanische tuin), die net was opgericht. Zoals het bestuur van de Leidse universiteit al hoopte, richtte hij de universiteitstuin in met veel zeldzame planten uit zijn eigen collectie.

 

In 1576 publiceerde Clusius een beroemd geworden en wetenschappelijk zeer belangrijk boek: Rariorum aliquot stirpium per Hispanias observatorium Historia, over de flora van Spanje (zie de afbeelding hieronder). Maar voor dit verhaal is de bijlage bij het boek nog belangrijker: hij beschrijft daarin allerlei Turkse gewassen, waaronder de tulp. Hij kende die bloem goed omdat hij aan het Weense hof werkte en hij zal daar hebben geëxperimenteerd met de bollen die Ogier van Busbeke had opgestuurd. Het kan zijn dat hij een aantal van de bollen uit de Weense tuinen heeft meegenomen naar Leiden, maar het kan ook dat van Busbeke kort voor zijn dood in 1592 nog wat bollen aan Clusius heeft gegeven.

 

 

We weten met zekerheid dat Clusius in 1593 een paar tulpenbollen geplant heeft, toen hij de Leidse hortus botanicus heeft aangelegd. Dat was het begin van de (tulpen)bollenteelt in Nederland. Hij deed in Leiden onderzoek naar de vlammen en strepen die in de bladeren te zien waren. Hij wilde dat soort bollen telen omdat die zeer geliefd waren. Het is maar iets meer dan 100 jaar geleden dat ontdekt werd dat dat helemaal geen erfelijke eigenschap van de tulp is, maar het gevolg van een plantenziekte, een virusinfectie. Maar zijn onderzoek legde wel de basis voor de bollenteelt en tulpenveredeling in Nederland.

 

Clusius kweekte bollen voor de wetenschap en niet voor de handel. En sinds het uitkomen van zijn boek in 1576 (zie hier rechts voor een afbeelding van het vooblad) kreeg hij regelmatig verzoeken of hij niet een paar tulpenbollen wilde afstaan of verkopen. Maar het verlangen naar de zeldzame bollen werd zó groot, dat er in de eerste jaren na het aanleggen van de botanische tuin in Leiden er een flink aantal bollen gestolen werd.

Dat inspireerde waarschijnlijk het verhaal over de beveiliging van bollentuinen. Zo wordt er verteld dat men touwtjes spande in de tuin, die verbonden waren met een belletje dat in de slaapkamer hing. Mocht een dief tegen het touw in de tuin aan komen, dan werd de bollenkweker wakker door het gerinkel van het belletje, en wist hij hoe laat het was! Ook dit thema heb ik gebruikt in Tulpenliefde.

 

Terug naar boven

 

 

De pest

 

De ziekte die wij De pest of De zwarte dood noemen heeft meer dan 500 jaar lang mensen in grote delen van de wereld geteisterd. Nu weten wij dat het om een bacterie gaat die van dier op mens wordt overgedragen. De bacterie is vernoemd naar zijn ontdekker, de arts Alexandre Yersin: Yersinia pestis. De foto hierboven laat zien hoe de bacterie er uit ziet, 2000 maal vergroot.

 

De mens raakt geïnfecteerd door vlooienbeten. Die vlooien liften op ratten of andere dieren die dicht bij mensen leven.

 

Als oude bronnen het over de pest hebben, zijn de mensen lang niet altijd ziek geworden door deze pestbacterie. Al vanaf Bijbelse tijden wordt namelijk het woord pest gebruikt voor allerlei ziekten, plagen en onheil, zoals hongersnood.

 

Door onderzoek aan skeletten van slachtoffers te doen, kunnen wetenschappers resten van de pestbacterie aantonen. De oudst gevonden sporen van de pestbacterie dateren uit 1347. Die epidemie duurde tot 1351 en men schat dat daarbij één derde deel van alle Europeanen die toen leefden, naar schatting tientallen miljoenen, zijn overleden.

 

De builenpest was de meest voorkomende vorm. De eerste symptomen worden een paar dagen na de infectie zichtbaar. En weer een paar dagen later sterft meer dan de helft van de mensen die geïnfecteerd raakt. Men krijgt zwellingen van de lymfeklieren die zeer pijnlijk zijn en builen in de oksels, de lies en achter de oren. Koorts, ijlen en hoofdpijn zijn ook symptomen die bij veel pestlijders optreden.

 

De plaag werd gezien als een straf van God voor de zondigheid van de mensen. Als reactie daarop ging men boete doen, vaker naar de kerk, of processies (religieuze optochten) houden, om zich weer met God te verzoenen. De extra bijeenkomsten van al die mensen hebben er toe bijgedragen dat de ziekte zich sneller en weider verspreidde. Pas in 1498 werden er in Venetië maatregelen afgekondigd waarbij de ziekte zich minder snel kon verspreiden, zoals het afzeggen van markten, vieringen en alles was een samenscholing van veel mensen zou veroorzaken.

 

 

En er werd natuurlijk naar schuldigen gezocht en de Joden werden al snel weer verdacht. Men beweerde dat zij waterputten en voedsel vergiftigden en dat dat de pest veroorzaakte. Dat was gek natuurlijk, want Joden stierven net zo hard aan de pest als Christenen, en waarom zouden zij hun eigen volk vermoorden?

 

Het werd nog gekker: een Joodse arts in Straatsburg, Balavignus, gaf in 1348 de opdracht om de hele Joodse wijk te reinigen volgens de wetten uit het Oude Testament en al het afval te verbranden. Dit leidde ertoe dat bijna alle vlooien en ratten die wijk verlieten en dat maar een paar inwoners zijn overleden aan de zwarte dood. In plaats van dat iedereen deze aanpak (die overduidelijk goed werkte) overnam, werd Balavignus juist verantwoordelijk gehouden voor de verspreiding van de pest! En door de middeleeuwse verhoormethoden (marteling) bekende hij nog ook. Vervolgens werd de hele Joodse bevolking van Straatsburg uitgemoord. Dit was het begin van een hele reeks pogroms (Jodenvervolgingen) in heel Europa, waarbij tienduizenden mensen het leven lieten. De afbeelding hierboven (van een Jodenverbranding) komt uit de Kroniek van Neurenberg uit 1493.

 

De pest zou nog regelmatig huishouden, ook in ons land. De epidemie van 1635-1636 was zwaar en deed ook Haarlem aan. En de stadsbesturen voerden allerlei regels in waarvan zij dachten dat die zouden helpen tegen de pest. Veel gemeenten legden de fruithandel aan banden, omdat men dacht dat groenten en fruit besmettelijk zouden zijn. Vooral pruimen waren verdacht.

 

 

Of men probeerde reizigers (vreemdelingen) te weren. Maar dat was problematisch, want dan zou heel het economische verkeer stilvallen. En dus probeerde men pestlijders en hun familie te weren van plaatsen waar handel werd gedreven. Zo was aan pestlijders in Haarlem in 1636 het bezoek aan de vis- en vleesmarkt maar op twee vaste uren van de dag toegestaan. Men verklaarde herbergen taboe, net als het bezoeken van vergaderingen van bv. gilden en schutters. In Haarlem mochten kinderen uit gezinnen waar de pest heerste tot 6 weken na de dood of genezenverklaring van de zieke niet naar school. En als ze buiten wilden spelen moesten zij een witte stok meedragen, zodat ze herkenbaar waren. Ook hadden veel stadbesturen de eis dat het huis waar de pest heerste gemarkeerd moest worden. Soms door een baal stro voor de deur te leggen, en soms door een “P” op de deur te schilderen. In Haarlem was men verplicht om een blikken "P" aan een deurpost te hangen.

 

De afbeelding hierboven laat een pestordonnantie uit Arnhem uit 1624 zien, waarin allerlei regels werden gesteld wat er moest gebeuren als de best uitbrak in de stad.

 

Ook inspireert de pest tot verhalen van heldendom en onzelfzuchtige naastenliefde. Ik weet niet of ze waar gebeurd zijn, maar het zijn goede (volks)verhalen die tot nadenken stemmen.

 

Eén verhaal gaat over een vrouw die aan het bevallen is in Haarlem, in 1636. Haar zoon heeft de pest en niemand van de buren durft haar te helpen, zelfs niet nadat de dominee hen heeft verteld dat het hun Christenplicht is. Dan komt toevallig de burgemeester, Willem van Teylingen, voorbij en hij durft wel het huis binnen te gaan. Hij laat de stadsvroedvrouw halen, maar ook zij weigert. Niet lang daarna overlijdt de kraamvrouw met haar zoon en de baby aan de pest. Een paar dagen later volgt haar man hen in de dood.

 

Een ander verhaal, uit 1655 vertelt over een rijke Amsterdamse ongetrouwde jongeman, die ook aan de pest leed. Hij vroeg zijn zus om hem te verzorgen, maar die durfde niet en stuurde haar nicht, die wel durfde omdat zij er op vertrouwde dat God haar zou sparen omdat haar uur nog niet geslagen had. De jongeman overlijdt, maar niet voordat hij zijn testament heeft gewijzigd. Hij heeft zijn zus onterfd en zijn hele bezit aan de nicht nagelaten.

 

Er waren dus veel regels, bijgeloof en onzekerheden rondom de pest. Soms mocht je hopen op een beetje medeleven van je stadsgenoten. En daarmee moest je dan maar leven, samen met de angst dat je dood ging. De regels waarover ik in Tulpenliefde vertel waren specifiek voor Haarlem in 1635 en de soorten bijgeloof golden voor heel ons land.

 

De pest ligt nog altijd op de loer in de wereld, vooral in de landen met een subtropisch klimaat. Maar tegenwoordig is een simpele kuur met antibiotica voldoende om de bacterie te bestrijden.

 

Terug naar boven

 

 

De trekschuit

 

 

Trekvaarten zijn een 17e-eeuwse Vlaamse uitvinding, maar het duurde niet lang voordat ze ook in Holland en Friesland werden aangelegd. De vaarten bestonden uit een kanaal tussen twee steden, met paden ernaast. Die paden heetten jaagpaden en de trekschuit werd voortgetrokken door een paard. Dat voorttrekken werd jagen genoemd en de man die het paard leidde de jager.

 

Hierboven zien we een schilderij van Jan van Goyen uit 1642, genaamd Trekschuit op de Vliet bij Leiden. Rechts zien we, op een heuveltje, de jager op zijn paard. Er loopt een touw van het paard naar de boot rechts op de voorgrond, en zo worden de inzittenden voortgetrokken. Dit was een open boot, in latere tijden konden de mensen beschut zitten, in een kajuit.

 

Dit was een grote innovatie, want door de paarden kon men ook varen zonder dat er wind stond. Haarlem en Amsterdam waren de eerste steden die een trekvaart lieten aanleggen. De bouw begon in 1631 en in 1634 begonnen de schepen te varen. Al gauw ontstond er een vaste dienstregeling en was het veel gemakkelijker geworden voor de bewoners van deze steden om naar elkaar toe te reizen. Ook maakte de trekvaart een regelmatige dienstregeling voor het vervoeren van post mogelijk.

 

Binnen korte tijd werden veel meer steden zo met elkaar verbonden en maakte men ook verbindingen tussen al deze trekvaarten, zodat deze manier van reizen al gauw heel populair en rond 1700 was het een dominante manier van vervoer.

 

 

Halverwege de vaart tussen Haarlem en Amsterdam lagen sluizen. Die waren nodig omdat het Haarlemmermeer nog niet was ingepolderd. Dat meer waterde uit op het IJ, door deze sluizen. Dat betekende ook dat de trekvaart op dat punt onderbroken was en men moest overstappen. Dit heb ik ook beschreven in Tulpenliefde. In 1636, het jaar waarin  het boek speelt was die trekschuit verbinding dus nog gloednieuw!

 

Rondom die overstapplaats ontstond een kleine nederzetting die Halfweg werd genoemd, omdat het op een punt ongeveer halverwege tussen Amsterdam en Haarlem ligt.

 

Pas twee eeuwen later werd de trekschuit verdrongen door een nog beter vervoermiddel: de trein. De eerste trein begon in 1839 te rijden, ook weer tussen Haarlem en Amsterdam. Het was een stoomtrein die op kolen reed. En nog steeds stopte men bij Halfweg. De reistijd tussen Haarlem en Amsterdam was toen verkort tot maar 25 minuten.

 

Het station Halfweg is rond 1840 geopend en is in 1927 weer gesloten. Sinds 2012 bestaat daar weer een treinstation, het station Halfweg-Zwanenburg.

 

Terug naar boven

 

 

De tulpenmanie

 

Nederland en tulpen horen bij elkaar. In de lente groeien ze op de uitgestrekte bollenvelden in allerlei kleuren en in ik-weet-niet-hoeveel variaties. De Keukenhof bij Lisse trekt ieder jaar miljoenen bezoekers uit binnen-en buitenland. Wie in het voorjaar langs de Bollenroute bij Lisse rijdt, kijkt zijn ogen uit. Toch is de tulp pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw zo populair geworden.

Waar wij nu vooral geïnteresseerd zijn in de bloemen, waren het in de zeventiende eeuw vooral de bollen waar de aandacht naar uitging.

 

In de eerste decennia van de zeventiende eeuw werden mensen steeds gekker op tulpen. Als je Flora, de Romeinse godinvan de lente en de bloemen aanbad, dan was je verloren: dan leed je aan de tulpenmanie. Hierboven is een schilderij van Hendrik Pot weergegeven, dat de burgers van Haarlem laat zien, die achter de zegekar van Flora aanlopen. Ze zit op een troon, omringd door narren. Het schilderij, dat in het Frans Hals museum hangt, is rond 1640 geschilderd, toen het iedereen duidelijk was hoe onverstandig de speculatie met tulpenbollen was geweest.

 

In eerste instantie werd de tulp vooral rond Haarlem gekweekt. In het begin van de zeventiende eeuw vestigden de kwekers zich langs de Wagenweg en de Kleine Houtweg ten zuiden van de stad. Claes Verwers had een tuin van 76 roede (1080 vierkante meter) aan de Eerste Laen, Hendrick Swalmius bezat 17 roede(240 vierkante meter) aan de Boll Laen. Hendrick Vestens was gevestigd aan de Coninx Laen en had 48 roede (680 vierkante meter). Pieter van Dorp, David de Milt en Guilaume de Milt hadden tuinen aan de Dorpen Laen. Er zaten ook kwekers aan de oostzijde en de westzijde van de Kleine Houtweg. De rijke grond, aangeslibd door de rivier was ideaal voor bollenteelt.

 

De (Rijnlandse) roede  is een oude oppervlaktemaat, gelijk aan 14,19 vierkante meter. Tot ver na de tweede wereldoorlog hebben bollenkwekers deze maat nog gebruikt. De eerste twintig jaar van de zeventiende eeuw werden de bollen vooral in grote hoeveelheden verkocht aan rijke lieden met een tuin.

 

Gewone mensen konden tulpen niet betalen. Daarom werden de bloemen op talloze voorwerpen afgebeeld, zoals op meubels, borduurwerken en vooral op tegels. In Nederland was vocht een groot probleem, omdat het land zo laag lag, zodat het kalkpleister van de muren snel afbrokkelde en tegels waren een goede wandbedekking. De eerste tulpen verschenen al rond 1610 op tegels, vaak samen met vruchten zoals granaatappels en druiven. Vanaf ongeveer 1620 kwam de tulp als zelfstandige versiering voor.

 

De afbeelding hiernaast is een detail van een (kapot geraakte) tegel van rond 1625. Het stuk tegel waar de tulp op stond was nog intact en daar is een broche van gemaakt. Ik kreeg hem van mijn man toen wij 25 jaar getrouwd waren, en ik al bezig was om het boek Tulpenliefde te schrijven.

 

Ook op schilderijen kwam de tulp steeds vaker voor. Ieder bloemstuk had ten minste drie tulpen in het boeket. Door schilders werden bloemen van verschillende bloeiperiodes door elkaar in één boeket bij elkaar gezet. Zelfs als je behoorlijk veel moest betalen voor een boeket dat geschilderd was door een bekende kunstenaar, was het nog altijd veel minder dan het zou kosten om deze bloemen in het echt te bezitten. Bekende bloemschilders waren bijvoorbeeld Ambrosius Bosschaert, Jan Brueghel, Hans en Baltesar van de Ast en Jacob de Geyn.

 

Het stilleven (met tulpen) hiernaast is van Ambrosius Bosschaert de Oude, is rond

1618 geschilderd en heet Vaas met bloemen in een venster. Het is te bewonderen in het Mauritshuis.

 

De populariteit van de tulp steeg in een razend tempo. Hierdoor gingen de prijzen nog verder omhoog en in 1634 ontstond een echte hausse in tulpenhandel. Tot aan die tijd waren het vooral professionele kwekers en rijke verzamelaars geweest die de tulpen hadden gekocht. Vanaf 1634 waagden meer mensen een kansje om iets bij te verdienen.

 

Er ontstond een speculatiegolf, vooral in Haarlem, Hoorn, Amsterdam, Alkmaar en Enkhuizen . De bollen werden nu vaker op papier verhandeld. Dit betekende dat ze van eigenaar verwisselden zonder dat de nieuwe koper ze in het echt zag. Er werden ‘koopbriefjes’ opgesteld waarin de transactie vermeld stond. In colegies (een soort veilingen) in speciale herbergen en taveernes waar verkopers en kopers elkaar ontmoetten werden de bollen per opbod en bij afslag verkocht. Hierbij bepaalde het gewicht van de bol de prijs. Deze werd in azen berekend, een week nadat de bol werd gerooid. Dan kon de bol nog wat drogen. Het begrip aas komt uit de goudhandel. 1 aas is gelijk aan 0.048 gram. Een Amsterdamse aas tenminste, want net als alle andere maten en gewichten waren er lokale verschillen. En dat was een goed gekozen gewichtsmaat, die aas: een aas goud kostte toen ook al veel, maar een aas tulpenbol nog veel meer!

 

Hiernaast een lijst van opbrengsten van een veiling van tulpenbollen in Alkmaar, op 5 februari 1637, vlak voordat de zeepbel knapte. Op deze lijst was de Viceroy de duurste tulp, deze werd voor ongeveer 7 gulden per aas verkocht, waardoor voor een enkele tulpenbol 4200 gulden betaald werd! Daarvoor kon je een heel mooi grachtenpand kopen, in de beste buurten van Amsterdam.

 

Vooral de vraag naar zeldzame soorten was enorm. Het liefst had men de ‘gebroken’ tulpen. Dit waren tulpen waarvan het grillige tweekleurige patroon werd veroorzaakt door een ziekte die men niet kende in de zeventiende eeuw. Dat de gestreepte variant tot uiting kwam door dit virus, is pas in de twintigste eeuw ontdekt.

 

Als de tulpenbollen weer de grond ingingen kwam er het volgend jaar niet altijd weer een gestreepte tulp uit. Veel vaker was de bloem gewoon één kleur. Kwekers deden er van alles aan om dezelfde ‘gebroken’ tulp weer aan te kunnen bieden. Zo sneden ze de bollen van een bepaalde kleur doormidden en bonden één van de helften aan de helft van een bol met een andere kleur. Daarna stopten ze deze ‘nieuwe’ bol terug in de grond en hoopten zo dezelfde kleur opnieuw te krijgen, maar dat was dus niet het geval. Het was eigenlijk min of meer toeval als de gestreepte variant het jaar daarop weer boven kwam. Bovendien waren deze tulpen (omdat ze eigenlijk ziek waren) veel zwakker dan hun eenkleurige broertjes en zusjes. Voor deze ‘gevlamde ‘ variaties werd dan ook het meeste geld betaald.

 

In 1623 kostte de legendarische tulp Semper Augustus (zie afbeelding links) al 1000 gulden per bol, terwijl een gemiddeld jaarloon op 150 gulden lag. Op het hoogtepunt van de ‘bollenrazernij’ verwisselde één bol van de ‘Admiraal van Enkhuijsen’ voor 5400 gulden van eigenaar. Dit bedrag stond gelijk aan vijftien jaarlonen van een Amsterdams metselaar.

 

 

De succesvolle Amsterdamse arts Claes Pieterszoon was ook gek op tulpen. Hij werd in 1622 in het stadsbestuur gekozen werd (later bracht hij het zelfs tot burgemeester) en had vanaf toen de macht om met zijn lakzegel juridische documenten te bekrachtigen namens de stad. Omdat zijn familie nog geen familiewapen had, moest hij er daarvoor een laten ontwerpen, en hij koos natuurlijk een tulp (en een ster). In die tijd had men geen huisnummers, maar gevelstenen en uithangborden. En op het uithangbord aan zijn huis (nu Keizersgracht 210 in Amsterdam) stond ook dat wapen, een tulp. En zo heet je al gauw Nicolaes Tulp, in de volksmond.

 

En toen Rembrandt van Rijn in 1632 een schilderij van hem maakte (zie hierboven) noemde hij het De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp.

 

Tulp beschreef (in 1641!!) als eerste het negatieve effect van roken op de longen. Hij was streng calvinistisch en was erg tegen gokken en speculeren. Na het ineenstorten van de tulpenmarkt in 1637 wilde hij graag van zijn achternaam af, om afstand te nemen van de tulpengekte. De naam was echter al te zeer ingeburgerd en hij is er niet meer van afgekomen.

 

Sommige kopers kwamen diep in de schulden te zitten, zoals de schilder Jan van Goyen die op de vooravond van het ineenstorten van de tulpenhandel zijn handtekening had gezet onder een schuldbekentenis en alles kwijtraakte. Hij stierf dan ook berooid.

 

Mensen zagen de pestuitbraken ook als een straf van God voor hun zondige leven. Zo waren er ook mensen die verband legden tussen de tulpenmanie en de Haarlemse pestepidemie van 1635-1637.

 

 

De speculanten werden floristen of bloemisten genoemd. Wie zich met tulpenhandel bezighield, was in de kap, of een kappist.  Er verschenen verschillende pamfletten waarin de speculanten belachelijk werden gemaakt omdat ze zich hadden laten verleiden tot de windhandel. De tulpenhandel werd gezien als een vorm van gokken en dit was een zonde. Vaak werden de speculanten afgebeeld met de ‘zotskap’ met belletjes op het hoofd.

 

In februari 1637 stortte de markt voor tulpen plotseling in. De prijzen kelderden en velen konden hun bollen niet meer kwijt. De handel spatte als een zeepbel uit elkaar en sommige mensen bleven berooid achter.

 

Hierboven zien wij een schilderij van Jan Brueghel de jongere, van ongeveer 1640, te zien in het Frans Hals museum. Het heet Satire op de Tulpomania. Op de voorgrond wordt in allerlei scenes door apen de domheid van de mensen uitgebeeld: het kweken, het wegen van de bollen, en rechtsonder plast een aap op de bloemen, om ons te laten zien dat we de waarde van de tulp ook weer niet moeten overschatten.

 

Tulpen zijn nooit meer zo duur geweest als toen, maar blijven onverminderd populair.

 

Terug naar boven