Tropenjaren
Mail Facebook Twitter Instagram

Nederlands-Indië als kolonie De tweede wereldoorlog Na de tweede wereldoorlog (Bersiap)
Oorlogsvrijwilligers naar NI De dienstplichtigen naar NI Een totaal andere wereld
Politionele acties Het verhaal van de familie Roobol Terug in Nederland

 

Nederlands-Indië als kolonie

In 1596 bereikte het eerste Nederlandse schip (met Cornelis de Houtman als opperkoopman) de Indische Archipel. Al in 1603 kwam de eerste VOC-vloot daar aan, en haar streven naar alleenhandel werd met geweld kracht bijgezet, waar dat nodig was. De VOC bleef met wisselende winstgevendheid aan de macht totdat ze in 1798 werd opgeheven, en de kolonie werd daarmee eigendom van de staat (de Bataafse Republiek).

 

Kaart van Nederlands-Indië door William Dampier, 1697 (Wikipedia)

 

In de periode 1798 - 1825 wisselde de kolonie tweemaal van bestuur, de eerste keer omdat Nederland onder Frans bestuur kwam, en de tweede keer omdat de Britten Napoleon versloegen en daarmee het bestuur over Nederlands-Indië overnamen. Na een opstand van de Indonesiërs in 1825 volgde de Java oorlog, waardoor de meeste gebieden weer onder directe Nederlandse controle kwamen.

 

In 1830 werd het cultuurstelsel ingevoerd: de inheemse bevolking moest 20% van haar land (als dat daarvoor geschikt was) gebruiken voor producten voor de Europese markt, vooral koffie, thee, suiker en indigo. Had je geen geschikt land, dan moest je 66 dagen per jaar voor het gouvernement werken. Dit systeem leidde tot uitbuiting van de bevolking en werd door Multatuli scherp bekritiseerd in zijn boek Max Havelaar, dat in 1859 verscheen.

 

Nootmuskaat (Wikipedia) Eerste druk van de Max Havelaar (Wikipedia)

 

In Nederand veranderde het politieke klimaat, en de opening van het Suezkanaal veranderde de economie. Nu kon je in een paar weken naar Indië varen, in plaats van in een paar maanden. Dat veranderde de mogelijkheden die er waren om handel te drijven. In 1870 leidde dit tot de Agrarische wet en de Suikerwet, waardoor particuliere bedrijven zich in Indië konden vestigen.

 

In de 20e eeuw begon men de kolonie langzaam te democratiseren: in 1910 kregen de grotere steden een gemeenteraad en in 1925 een burgemeester. In 1918 werd de Volksraad geïnstalleerd: een soort parlement dat de gouverneur-generaal adviseerde.

 

Ondanks deze veranderingen bleef Nederland natuurlijk aan de macht in Indonesië, en bleef de kolonie haar rijkdommen afstaan aan ons.

 

Terug naar boven

 

De tweede wereldoorlog

De Japanse inmenging in de tweede wereldoorlog begon met de aanval op Pearl Harbor, op 7 december 1941. Hierdoor raakten de Verenigde Staten direct betrokken bij de oorlog en ook de Nederlandse regering in ballingschap verklaarde die dag vanuit Londen de oorlog aan Japan.

 

De Japanners landden op 11 januari 1942 op Nederlands Borneo en op Celebes (Sulawesi). In hoog tempo werd de archipel ingenomen. Totale overwinning volgde in de slag in de Javazee op 27 en 28 februari 1942, waar Japan het geallieerde (Amerikaans, Brits, Australisch en Nederlands) vlooteskader versloeg. De vloot werd geleid door schout-bij-nacht Karel Doorman die daarbij het leven verloor. Op 5 maart 1942 trokken de Japanners Batavia (Jakarta) binnen en op 8 maart volgde de officiële Nederlandse overgave.

 

(Wikipedia)

 

Gevolgen voor de Europeanen

Meteen daarna werden de Nederlandse soldaten (ruim 40.000) krijgsgevangen gemaakt en werd de Europese bevolking (ongeveer 100.000 mensen) opgesloten in burgerinterneringskampen. De mannen werden gescheiden van de vrouwen en kinderen. Deze kampen waren niet gericht op systematische vernietiging, zoals de Nazikampen, maar de geïnterneerde burgers en de krijgsgevangenen werden er hard en wreed behandeld. Er was een groot tekort aan voedsel, zodat de sterfte door honger, uitputting en ziektes toch groot was. Ongeveer een vierde deel van de gevangenen heeft de jappenkampen niet overleefd.

 

Japanse beul executeert de Australiër Len Siffleet (Wikipedia)

 

Er zijn ook een groot aantal mensen bij speciale projecten ingezet, zoals de aanleg van de Birma spoorlijn. Vooral de aanleg van deze spoorlijn is heel berucht geweest, omdat daarbij in korte tijd zeer veel mensen zijn overleden Ruim 100.000, vooral Thai en Indonesiërs, maar ook 3.000 Nederlanders.

 

De Japanners hadden een zeer autoritaire stijl. Ze eisten van de geïnterneerden dat zij exact hun bevelen opvolgden, vooral waar het ging over het bewijzen van eer aan de Japanse keizer. Veel vergrijpen werden bestraft met standrechtelijke executies, vaak door middel van openbare onthoofdingen. Ook de strafappels, urenlang in de houding staan in de brandende zon, waren berucht.

 

 

Hierboven een voorbeeld van kampkunst: een bewerkt blikken doosje dat uit de nalatenschap van de Jan en Maartje Roobol komt. Klik op de foto voor een vergroting. Het is gemaakt in het mannenkamp van Tjimahi (Cimahi) en werd gebruikt voor het bewaren van zeep (voor in gasmaskers, en om glazen mee schoon te maken. Op de afbeelding een boom, de kampomheining en een dode man met het woord "VERRADEN".

Twee mannen, Peetoom en Braams, waren stiekem door de heg gegaan om even bij hun vrouw te kunnen zijn. Zij zijn gepakt en werden de volgende dag door de Japanners doodgeschoten,waar alle geïnterneerden, waaronder Jan Roobol, bij waren. Jans vrouw Maartje Roobol was toen nog niet geïnterneerd, en woonde net als de vrouwen van Peetoom en Braams even buiten het kamp en hoorde de schoten vallen. De gefussileerden stierven terwijl ze "Leve de Koningin" riepen.

Gevolgen voor de Indonesiërs

De inheemse bevolking zag de Japanners aanvankelijk als bevrijders, ze werden enthousiast onthaald. Dat duurde echter niet lang. Het werd al gauw duidelijk dat de Japanners Indonesië als wingewest zagen, dat moest bijdragen aan de Japanse oorlogsmachine.

 

Hatta Soekarno

 

De Japanners hadden arbeiders (romusha's) nodig. Indonesische nationalisten als Hatta en Soekarno maakten veel propaganda om de Indonesiërs aan te moedigen om zich aan te melden, hopend dat ze de Japanners zo gunstig zouden stemmen, zodat Indonesië op den duur onafhankelijk zou kunnen worden. De romusha's werden echter naarmate de oorlog langer duurde steeds meer als slaven en dwangarbeiders gebruikt en zij zijn in grote aantallen gestorven.

 

Volgens een telling van de Verenigde Naties zijn er tijdens de Japanse bezetting 4 miljoen Indonesiërs omgekomen, velen daarvan door de hongersnood van 1944-1945, die vooral op Java extreem was.

 

In het begin van de bezetting steunden de Japanners de Indonesische nationalisten en hun leiders, zoals Soekarno, maar binnen twee maanden was dit over. In 1943 besloot Tokio de onafhankelijkheid van de Filippijnen voor te bereiden, maar besloot ook om Indonesië bij het grote Japanse Rijk in te lijven. Maar later in de oorlog veranderden zij weer van tactiek en begon Japan de voorvechters van de onafhankelijkheid van Indonesië actief te ondersteunen.

 

De Indische jeugd werd vanaf 1944 militair getraind door Japanners,. Ook kregen zij wapens uitgedeeld. Zo werd het vrijwilligersleger PETA (verdedigers van het vaderland) geformeerd. Het was bedoeld om de Japanners te ondersteunen, maar na de oorlog was dit leger een belangrijke aanvulling op nationalistische strijdkrachten tijdens de politionele acties.

 

Op 29 april 1945 zetten de Japanners een volgende belangrijke stap: er werd een comité opgericht dat de onafhankelijkheid van Indonesië moest voorbereiden. Na het vallen van de twee atoombommen op Hiroshima en Nagaki, gaf Japan zich over op 15 augustus 1945. De Tweede wereldoorlog was voorbij. Twee dagen later riep Soekarno de Indonesische onafhankelijkheid uit.

 

Terug naar boven

 

Na de tweede wereldoorlog (Bersiap)

De Bersiap periode was een periode van geweld in Indonesië, die chaotisch was omdat er na de capitulatie van Japan een machtsvacuüm was ontstaan. De Japanners waren wel verslagen, maar er waren geen geallieerde troepen in Indonesië, en de Japanners kregen de orders van de geallieerden totdat zij zelf zouden aankomen om de orde te bewaren.

 

De Japanners vreesden het uitbreken van onlusten: de Japanse soldaten waren gedemoraliseerd en de jonge Indonesiërs waren gewapend en getraind, en wilden onmiddellijke onafhankelijkheid. Het leek de Japanners het beste om de macht snel over te dragen aan de wat oudere en meer gematigde Indonesische leiders (waaronder Soekarno en Hatta), maar die voelden daar niet voor.

 

1946. Javaanse strijders gewapend met bamboesperen. (Wikipedia)

 

Pas toen Republikeinse jongeren (de Pemuda) Soekarno ontvoerden en onder druk zetten, riep Soekarno op 17 augustus 1945 de Republik Indonesia uit. De Japanners hadden er zelf aan bijgedragen dat er militaire en paramilitaire groepen waren opgericht. Veel Indonesische jongeren waren gewapend met bamboesperen en een kapmes en er ontstond een explosieve situatie, waarin de inheemse bevolking haar woede richtte op elke vorm van buitenlandse autoriteit, of dat nu Japans, Brits of Nederlands was. De Indonesiërs wilden zich niet meer laten overheersen, dat was duidelijk.

 

Toen de eerste geallieerden eind september landden in de baai van Batavia, brak er strijd uit, waarbij duizenden doden vielen onder Nederlanders, Indische Nederlanders, Chinezen, en Indiërs waarvan men dacht dat zij voor Nederland zouden zijn. Een groot probleem voor Nederland was geboren: de Indonesische Revolutie.

 

Terug naar boven

 

 

Oorlogsvrijwilligers naar Nederlands-Indië

In Nederland was een groep Oorlogsvrijwilligers ontstaan. Zij waren eind 1944 en begin 1945 geworven in de toen pas bevrijde delen van Nederland en bestond uit mannen die wilden helpen tegen de Duitsers te vechten. Anderen hebben zich na de bevrijding in Nederland aangemeld voor de oorlog tegen de Japanners.

 

Wervende poster voor Oorlogsvrijwilligers (Koninklijke Bibliotheek)

 

Het kabinet besloot deze bataljons naar Indonesië te sturen, om daar orde op zaken te stellen. Ze kwamen in november 1945 aan in Brits Malakka. De Britten oefenden tijdelijk het gezag in Nederlands-Indië uit. Zijweigerden maandenlang om de bataljons toe te laten, bang om daarmee olie op het vuur van het conflict te gooien. En bovendien had Nederland internationaal bijna geen steun voor het herstellen van het koloniaal gezag in Nederlands-Indië. Men vond dat de Indonesiërs recht hadden op een eigen staat.

 

Pas in maart 1946 konden de Oorlogsvrijwilligers de posities van de Britten overnemen en raakten meteen betrokken bij gevechten met de Indonesische nationalisten. Dit mondde in de zomer van 1947 uit in een grootschalig gevecht dat de Eerste Politionele Actie genoemd zou gaan worden.

 

In de loop van 1948 werden deze bataljons gedemobiliseerd en teruggestuurd naar huis. Slechts één bataljon bleef achter, om de Tweede Politionele Actie voor te bereiden. Zij werden pas in 1949 gedemobiliseerd.

 

Sommige vrijwilligers gingen niet naar huis, maar tekenden bij in het leger, of besloten te emigreren naar Australië of Nieuw-Zeeland.

 

Terug naar boven

 

De dienstplichtigen naar Nederlands-Indië

Het kabinet Schermerhorn-Drees diende in 1946 een grondwetswijziging in die het mogelijk maakte om dienstplichtigen ter verplichten om naar Indië te gaan. De vrijwilligheid werd dus opgeheven. Hoewel de wijziging pas in augustus 1947 in het Staatsblad werd gepubliceerd, vertrok het eerste schip met dienstplichtigen al in november 1946 richting de tropen. In totaal zijn in de periode 1946-1949 een kleine 100.000 dienstplichtigen naar Indonesië verscheept.

 

Pamflet tegen het wetsontwerp Uitzending Dienstplichtigen (Vredesmuseum Gouda)

 

De Nederlandse opinie was verdeeld. In juli 1946 werd er een enquête gehouden, waaruit bleek dat er net zo veel voor- als tegenstanders voor het beleid waren. Vlak voor het vertrek van de eerste troepen waren er grote protestdemonstraties in Amsterdam. Deze demonstraties werden door de autoriteiten met veel machtsvertoon neergeslagen. Op de dag van het vertrek zelf brak er ook een proteststaking uit in Amsterdam.

 

Er waren duizenden gewetensbezwaarden onder de dienstplichtigen. Zij waren niet tegen het idee van dienstplicht, en wilden die best in Nederland vervullen. Maar wel waren zij tegen de onderdrukking van de Indonesiërs, die voor hun onafhankelijkheid vochten. Deze mensen werden als deserteurs behandeld, voor de krijgsraad gebracht en zwaar gestraft.

 

Terug naar boven

 

Een totaal andere wereld

De jongemannen die dienstplichtig waren kwamen in een totaal andere wereld terecht. Van een koud Nederland met veel temperatuur verschil tussen zomer en winter, naar het tropische Java waar de temperatuur 's middags altijd net boven de 30 graden is, en waar in de natte tijd erg veel regen valt.

 

En alles was anders dan thuis: de bomen, de planten en bloemen, en vooral ook de geuren. De mensen waren een stuk kleiner dan in Nederland en donker van huidskleur. Op de markt overheersten de geuren van de kruiden en vruchten, en van de eetstalletjes. Er waren veel mensen die in een vreemde taal door elkaar heen riepen om hun waren aan te prijzen. De vrouwen liepen er niet zo bedekt bij als in Nederland.

 

 
Kinderen met opgezette leguaan   Winkels aan de haven

 

En als de dieren in Indonesië overdag al niet indrukwekkend genoeg waren: 's avonds viel er geen stilte over het land, maar was het gevuld met het geluid van miljoenen insecten, geritsel in de struiken van kleine, maar ook van grotere dieren. Als je op wacht stond, kon je je best ongerust maken, over al die geluiden die je niet kende. De rebellen wisten dat en gingen daarom expres geluiden maken, als het donker was.

 

De tropische ziekten die je kon oplopen waren ook onbekend, altijd heel onaangenaam en vaak levensbedreigend: malaria, difterie, tetanus, polio, hepatitis, (buik)tyfus, gele koort, dengue, hersenvliesontsteking, en dan hebben we het niet eens over de vele parasieten die je lichaam kunnen binnenkomen.

 

Doerians (Wikipedia) Verbodsbord uit Singapore, je mag hier geen doerians meenemen vanwege de penetrante geur. (Wikipedia)

 

En ook wennen was het eten: velen waren niet gewend om sambal te eten, of eten met totaal andere kruiden en specerijen dan in Nederland gebruikt werden. En ook was er fruit met onbekende kleuren en vormen, zoals de Doerian, een stekelige vrucht die ontzettend stinkt. Maar de meesten leerden het eten erg waarderen en na thuiskomst in Nederland werd nog vaak Indisch gekookt, of men ging naar de Chinees. Ook ontstond er een soort fusion cooking: de soldaten waren in Nederland gewend om regelmatig erwtensoep te eten. Daar gingen ze in de tropen gewoon mee door, maar dan legde je wel eerst een laag witte rijst op je bord. Dan de erwtensoep eroverheen, klodder sambal badjak erbij, en selamat makan (eet smakelijk)!

 

Terug naar boven

 

Politionele acties

Inmiddels was de Nederlandse troepenmacht in Indonesië al weer aardig op sterkte: ongeveer 120.000 manschappen, waarvan 45.000 KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger). En dat op een punt waarop de onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek helemaal waren vastgelopen. Tel daarbij op dat het erg duur was om al die soldaten te onderhouden, helemaal in een tijd dat Nederland nog verarmd was door de oorlog. Dan lijkt het een logisch besluit van het kabinet Drees om heel Indië weer onder controle te krijgen en daarmee weer toegang te hebben tot de Indische rijkdommen.

Operatie Product (1e politionele actie)

Deze operatie duurde van 21 juli tot 5 augustus 1947.

 

Generaal Spoor stelde voor om de economisch belangrijke gebieden op het Oosten en Westen van Java, en de gebieden rondom de Nederlandse enclaves op Sumatra weer onder Nederlands bewind te krijgen. Daarbij zou Midden-Java met rust worden gelaten, want daar in Jogjakarta zetelden de Republikeinen. Een aanval op hen zou worden veroordeeld door de Britten en de Amerikanen.

 

Nederlands troepentransport tijdens operatie Product (Wikipedia)

 

Op 21 juli begon de aanval, en de Indonesiërs reageerden door niet de directe confrontatie te zoeken, maar door de opmars te vertragen door het opblazen van bruggen, bermbommen, het maken van wegversperringen en hinderlagen. De operatie was zeer succesvol op Java, en in mindere mate ook op Sumatra. De legerleiding stelde voor om meteen maar door te stoten naar Jogjakarta, maar hoewel het kabinet in den Haag twijfelde heeft men dit toch niet gedaan.

 

De Verenigde Naties kondigden een staakt-het-vuren af, dat op 5 augustus inging. Een voorbeeld van het niet eerbiedigen daarvan was het zogenaamde Bloedbad van Rawagede, waarbij Nederlandse troepen enkele honderden mannelijke dorpelingen executeerden op 9 december 1947.

Wapenstilstand

In 1948 werd een formele wapenstilstand getekend, op initiatief van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ondersteund door het Amerikaanse marineschip de Renville, dat in de baai van Jakarta lag en als hoofdkwartier diende van de VN-wapenstilstandscommissie. Door deze gebeurtenissen werd het Nederlandse koloniale conflict een internationale kwestie, waarbij belangrijke bondgenoten van Nederland (de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië) de kant van de Indonesische Republiek kozen.

 

De U.S.S. Renville, eind jaren '60 (Wikipedia) De wapenstilstands (van Mook) lijnen op Java (Wikipedia)

 

Operatie Kraai (2e politionele actie)

Het Renville verdrag had de situatie voor de Indonesiërs en de Nederlanders niet opgelost. Daarnaast ging het leger van de Indonesische republikeinen weer de guerrilla tactiek volgen ende onderhandelingen liepen alweer vast.

 

De jonge republiek kreeg steeds meer internationale erkenning en thuis in Nederland werd de roep steeds luider om "onze jongens" weer naar huis terug te halen. Het was duur om al die jongemannen daar te laten zijn. Thuis konden ze helpen om het land weer op te bouwen.

 

En ook het Nederlandse leger moest urgent weer opgebouwd worden in Europa. Er dreigde namelijk iets nieuws: het rode gevaar. Want op 25 februari 1948 hadden de communisten de macht gegrepen in Tsjechoslowakije. En wie wist waar die opmars zou stoppen?

 

Filmfragment: Operatie Kraai, vanuit Indonesisch perspectief. LET OP! Het filmpje bevat beelden van gevechten en slachtoffers, die u als schokkend zou kunnen ervaren.

(Klik op het beeld om de film te starten)

 

Onder al deze druk werd door de Nederlandse regering het besluit genomen om een tweede actie uit te voeren: operatie Kraai. Op 19 december 1948 landden Nederlandse parachutisten op het vliegveld van Jogjakarta. Binnen enkele uren was de hele stad onder Nederlandse controle en waren Soekarno en Hatta opgepakt. De militaire doelen werden snel ingenomen, maar het werd niet de uitschakeling van het Indonesische Republikeinse leger, zoals de hoop van de Nederlanders was.

 

Het Republikeinse leger had zich namelijk strategisch teruggetrokken op plaatsen die moeilijk te bereiken waren voor de Nederlanders. En vanuit die plaatsen zouden zij een guerrilla oorlog gaan voeren.

 

De internationale gemeenschap was woedend. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties kwam in een spoedzitting bij elkaar en eiste van Nederland dat ze het vechten zouden stoppen en de gevangen leiders zouden vrijlaten. Inderdaad werden de vijandelijkheden gestaakt, maar Hatta en Soekarno bleven vastzitten.

 

Maar de guerrilla bleek niet niet vol te houden voor de Nederlanders. Het aantal Nederlandse doden liep op en Indonesiërs die met de Nederlanders samenwerkten werden gedood. Onder leiding van de Verenigde Staten koos de Veiligheidsraad partij voor de Indonesiërs. Bovendien dreigde Nederland de Marshallhulp te verliezen, de hulp die de VS leverde om ons land weer op te bouwen.

 

Het duurde nog tot mei 1949 voordat de Nederlandse regering zich gewonnen gaf. Er kwam een akkoord met de Republiek, en op 27 december 1949 volgde de overdracht van de Soevereiniteit. Na ruim 3 eeuwen was de Nederlandse overheersing van Indië ten einde gekomen.

 

Miniter-President Drees houdt een toespraak tijdens de souvereiniteitsoverdracht. (Nationaal Archief)

 

Excessen

Na de terugkeer in Nederland bleef de kater over. Maar aan de andere kant: het land moest weer worden opgebouwd. Men moest het verleden vergeten en naar de toekomst kijken, zo was het algemene gevoel.

 

De jaren '50 en '60 van de 20e eeuw worden ook wel de periode van het Nationale Trauma genoemd, de periode van het Grote Zwijgen De periode dat we er aan moesten wennen dat Nederland geen koloniale wereldmacht meer was. Onze trots was gekrenkt en er woonden duizenden mensen in ons land die het tropenleven gewend waren en maar moeilijk konden wennen aan het leven in Nederland.

 

Aan het Grote Zwijgen kwam een einde toen de VARA op 17 januari 1969 een interview met de psycholoog Joop Hueting uitzond. Hij had in Indië gediend in de periode van de politionele acties, en vertelde als eerste openbaar over de verschrikkingen die hij had meegemaakt, zoals het platbranden van hele dorpen en het vermoorden van kinderen en vrouwen.

 

Het interview sloeg in als een bom en oppositieleider Joop den Uyl eiste een diepgaand onderzoek van het kabinet onder leiding van premier Piet de Jong. Het onderzoeksrapport dat eind van dat jaar uitkwam werd de "excessennota" genoemd. "Excessen", omdat de Jong liever niet over oorlogsmisdaden wilde spreken. Het rapport was een lange lijst met incidenten waar men zijn vraagtekens bij kon zetten.

 

Hieronder een kleine selectie uit de honderden pagina's met stukken van het kabinet van premier Piet de Jong, die de kamervragen moesten beantwoorden (klik op de foto voor een vergroting).

 

 

"Zinloos en misselijk", noemde de Telegraaf het interview met Hueting. Voor de veteranen was het ook schokkend dat men zo sprak over de oorlog waarvoor zij hun leven gewaagd hebben. Want gruwelen horen nu eenmaal bij een oorlog. En dat is ook zo. Maar een oorlog is pas écht voorbij als beide partijen elkaar in de ogen durven te kijken en verantwoording durven te nemen voor de daden van toen.

 

Terug naar boven

 

Het verhaal van de familie Roobol

Jan Roobol en Maartje Snel werden in 1913 geboren in de Hoekse Waard. Jan wilde politieagent of douanier worden, maar daar staken de crisisjaren (jaren '30 van de vorige eeuw) een stokje voor. Een paar andere jongens uit het dorp lieten weten dat het best goed leven was in Nederlands-Indië, en de staat had (KNIL) militairen nodig.

 

Jan nam dus dienst, ook om de premie van 100 gulden en de woontoelage van 30 gulden in de maand. Hij betaalde daar 27,50 huur, dus er bleef nog 2,50 over iedere maand. Als je dan bedenkt dat een maaltje bonen daar 2,5 cent kostte, een hele kip een kwartje, een dikke karbonade een dubbeltje, en je bovendien bijna geen dekens nodig had en al helemaal geen verwarming, dan was het levensonderhoud goedkoop.

 

In juni 1938 voer Jan naar Indië toe met het schip Christiaan Huijgens, vanuit Amsterdam. Maartje, zijn verloofde, mocht niet mee omdat zij niet getrouwd waren. Dat huwelijk volgde in december 1938, maar dan met de handschoen, zoals zo veel soldaten deden in die tijd. De naam verwijst naar een oud gebruik van de adel: er werd een afgezant naar de bruid gestuurd, die via een handschoen de toekomstige bruidegom vertegenwoordigde. Bij de huwelijksvoltrekking werd deze handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de bruidegom. Bij het huwelijk tussen Jan en Maartje lag er niet echt een handschoen op tafel. Jan liet zich bij de ceremonie vertegenwoordigen door zijn broer. Na dit huwelijk kon Maartje zich bij haar man in Indië voegen.

 

Passagiersboot De baboe aan het werk

 

De eerste jaren was het leven als in tempo doeloe(de goede oude tijd) voor de pasgetrouwden. In september 1941 werd er een zoontje geboren, mijn schoonvader Rien. Het jonge geluk werd al kort daarna verstoord toen Japan Indonesië bezette en in maart 1942 de militairen en hun gezinnen in kampen zetten. De mannen werden gescheiden van de vrouwen en kinderen. De opa en oma van mijn man hebben vernederingen moeten ondergaan en opa Jan is erg ziek geweest. Hijheeft de dood in de ogen gekeken. Mijn schoonvader is als peuter en kleuter opgegroeid met een minimum aan eten en speelgoed, en zonder een gezinsleven.

 

De tweede wereldoorlog eindigde op 15 augustus 1945. Toch duurde het nog maanden voordat mijn schoonvader zijn vader weerzag, ze werden in Singapore herenigd. Als 4-jarig kind zag hij dus voor het eerst bewust zijn eigen vader. Hij was bang van die grote, blanke man, want de enige mannen die hij in zijn leven was tegengekomen waren kleine, gemene Japanse kampbewaarders. In juli 1946 kwam de familie weer in Nederland aan, waar zij, geheel berooid (het loon werd niet doorbetaald als je krijgsgevangen was), bij familie moesten wonen.

 

Jan Roobol met zijn kinderen. Mijn schoonvader wordt naar school gebracht in de riksja. Mijn schoonvader, zijn zus en een buurjongetje.

 

In januari 1948 moesten zij alweer terug naar Indië, om de opstand neer te slaan. Onderweg maakte het schip Tarakan nog een stop in Biak, om NSB-ers af te zetten die daar hun straf moesten uitzitten. Uit die tijd is binnen de familie Roobol weinig overgeleverd, van de militaire zaken tenminste. Wel wordt het verhaal verteld dat er een peloppor (scherpschutter) in hun achtertuin is neergeschoten. Begin oktober 1950 verlieten zij Indonesië met het schip Amarapoorah en kwamen eind november weer thuis in Nederland.

 

Terug naar boven

 

Terug in Nederland

 

Aanpassingsproblemen

Net na de oorlog konden teruggekeerde soldaten al op weinig begrip van hun stads- en dorpsgenoten rekenen. Zij die in Jappenkampen hadden gezeten kregen wel eens een opmerking als "maar jullie hadden het tenminste warm in '44-'45" naar het hoofd.

 

Zo ging het ook na de politionele acties. Na al die jaren zochten vele Nederlanders ineens (letterlijk) hun plek in het thuisland. En de Indonesische Nederlanders die naar Nederland gingen werden in Indië als verraders werden gezien. Ze zochten allemaal huisvesting, een baan, en een plek in het sociale leven.

 

De ouders van mijn schoonvader hadden geluk: zij konden bij familie inwonen. Dat was misschien niet ideaal, maar het was beter dan ergens in een opvanghuis terecht komen als gezin met jonge kinderen.

 

Velen werden met de nek aangekeken. Mijn schoonvader, een puur "blanke" Nederlander, werd in zijn dorp uitgemaakt voor "pinda", omdat hij in Indonesië geboren was. En er zijn vast wel mensen voor nog erger uitgescholden.

 

De kinderen moesten zich aan het Nederlandse onderwijssysteem aanpassen, en moesten vaak achterstand inlopen. De teruggekeerde soldaten stonden ook op achterstand: er was nauwelijk werk, ze waren inmiddels te oud geworden om nog een (vervolg)opleiding te doen. Hun leeftijdsgenoten die in Nederland waren gebleven hadden betere kansen gehad.

 

Maartje Roobol, rond 1970 tijdens een uitje met vrienden Ome Bas en Tante Itje. Naar goed Indisch gebruik noemde je iedereen "oom" en "tante", niet alleen familieleden. In Indië werden vrienden voor het leven gemaakt. Ikzelf heb haar ook nog mogen leren kennen.

 

En zo ontstond onder al die teruggekeerden ook een gevoel van heimwee. Heimwee naar het tropische land dat wij verloren hadden. Heimwee naar het goede leven dat je daar had (vooral als je bij de bevoorrechten hoorde). En heimwee naar de plek die je daar de jouwe mocht noemen. Niet alleen het huis, maar ook je plek in de samenleving.

 

Indische subcultuur

Al die teruggekeerden bij elkaar deelden veel gewoontes. Het Indonesische eten natuurlijk. In steden met grote concentratie Indische Nederlanders (den Haag bijvoorbeeld) kwamen er nog meer restaurants bij dan er al waren. En de Chinezen speelden in op de trend door overal in het land Chinees-Indische restaurants te openen.

 

Voor de familie Roobol is Tampat Senang in den Haag hét restaurant. Sinds 1922 kan je daar al van de échte Indonesische rijsttafel genieten. Hier hebben wij heel wat hoogtijdagen gevierd, en gestorven familieleden herdacht.

 

Ook de Nederlandse muziek werd beïnvloed door de Indische Nederlanders, een bekend voorbeeld hiervan zijn de Blue Diamonds. (Klik hieronder om hun hit Ramona te starten)

 

 

De Indische en Molukse muzikanten in Nederland raakten in de jaren '50 beïnvloed door de Amerikaanse rock-'n-roll muziek, en zo ontstond de Indo Rock. Luister eens naar de Tielman Brothers, de Black Dynamites, of Oety and his Real Rockers. Of als u de indorock van nu wilt horen: Tjendol Sunrise.

 

Rond 1980 hadden veel veteranen de pensioenleeftijd bereikt, en scoorde Wieteke van Dort alias Tante Lien hoge kijkcijfers met haar nostalgische programma The Late Late Lien Show.

 

En een jaarlijks evenement waar iedereen naar uitzag was de Pasar Malam in den Haag. Het hele Malieveld staat dan vol met grote tenten gevuld met Indonesische cultuur, heel veel lekker eten, en allerlei Aziatische producten. Het evenement is nu wel omgedoopt tot Tong Tong Fair, maar is nog altijd een hoogtepunt van Indische cultuur. Het wordt van 25 mei t/m 7 juni 2015 gehouden.

 

Toen oma Roobol te oud was geworden om er nog naartoe te gaan, hebben mijn man en ik wel eens een sate kambing (saté van geitenvlees) voor haar meegenomen. Het was echte goede saté, en ze at hem zó gulzig op dat ze er bijna in stikte. Het vlees en onze verhalen van de Pasar waren voldoende om haar weer even in Indië te laten zijn, en haar een goede avond te bezorgen.

 

Indische literatuur

Ook in het schrijversvak heeft "Indië" veel werk geïnspireerd, na de oorlog. Bekende auteurs die over Indonesië schreven zijn Hella Haase (Oeroeg, Heren van de Thee, Sleuteloog), Yvonne Keuls (Mevrouw mijn moeder, Indische Tantes, Madame K.: Van Indisch Kind tot Haagse dame), Adriaan van Dis (Indische Duinen) en Wieteke van Dort (Kind in Surabaja, De Weduwe van Indië).

 

Wim Kan en Corry Vonk met Mies Bouwman tijdens de uitzending van "Open het dorp!" in 1962. (Wikipedia)

 

Maar niet alleen schrijvers hadden Indische roots, ook andere bekende Nederlanders als Wim Kan (heeft aan de Birmaspoorweg gewerkt), zijn vrouw Corry Vonk heeft samen met mijn schoonvader in kamp Tjimahi in Bandoeng gezeten. Maartje Roobol, de moeder van mijn schoovader, heeft haar daar gekend en vertelde dat Corry heel veel vrouwen door het kampleven heen heeft geholpen met haar doorzettingsvermogen. En met haar humor, die natuurlijk gemikt was op de Jappen. Die hadden dat ook wel door, en noemden haar monkey, omdat Corry klein van stuk was, en volgens hen niet moeders mooiste.

 

Ook de acteur en zanger Willem Nijholt heeft een Indisch verleden.

 

Overigens past het vroege leven van Adriaan van Dis aardig bij de thematiek van Tropenjaren. Op Wikipedia valt te lezen: "Zijn vader was door zijn oorlogservaringen getraumatiseerd en arbeidsongeschikt geraakt. Bovendien vond hij het als migrant moeilijk om zijn plaats in het hem onbekende Nederland te vinden. Hij was altijd thuis en voedde Adriaan streng op en sloeg hem vaak. Adriaan herinnert zich hem als een wrede man, maar kan hem tegelijkertijd als een slachtoffer zien."

 

Indische verenigingen

Er is in de laatste 50 jaar een bloeiend Indisch verenigingsleven geweest. Naarmate de veteranen overleden, en hun kinderen en kleinkinderen steeds Nederlandser werden, kregen de verenigingen steeds minder leden en gingen fuseren.

 

De koloniale reserve op bezoek op landgoed Bronbeek (Wikipedia)

 

De veteranen werden verzorgd op Bronbeek tussen Arnhem en Velp, het landgoed is nu nog steeds een plek waar de herinnering aan Indië en de militairen die daar hebben gediend in ere worden gehouden.

 

Indië, rond 1949. De zus van mijn schoonvader met een buurkindje.

 

Mijn schoonvader en zijn ouders waren eerst geabonneerd op een blad dat Madjoe heette, maar nu heb je eigenlijk alleen nog de Pelita over. Stichting Pelita begeleidt aanvragen voor de wetten voor oorlogsgetroffenen. Met sociale dienstverlening en maatschappelijk werk zorgt Pelita voor mensen die als gevolg van oorlog en geweld problemen hebben met hun dagelijks functioneren. In het bijzonder doen zij dit voor de Indische en Molukse gemeenschap in Nederland.

 

Terug naar boven