Koning in het Noorden
Mail Facebook Twitter Instagram

Christian II Elisabeth van Denemarken Middeleeuwse kalender
Christian II Elisabeth van Denemarken Maanden
Christian en Duveke Albrecht Dürer Lucas Cranach de Oude
Sigbrit en Duveke Albrecht Dürer Lucas Cranach de Oude
Unie van Kalmar Pompeius Occo Erasmus van Rotterdam
De Unie van Kalmar Pompeius Occo Erasmus van Rotterdam
Erik Valkendorf Belfort Lier Man in floshat
Erik Valkendorf Christian II in de Nederlanden "Hollandse" boeren in Denemarken
Hoe liep het af met Sigbrit? Hoe liep het af met Christian?
Hoe liep het af met Sigbrit? Hoe liep het af met de Koning in het Noorden?

 

Christian II, koning met twee gezichten?

 

Van Christian II van Denemarken wordt vaak gezegd dat hij weifelmoedig en besluiteloos was. Hij vertrouwde zijn minnares Duveke en haar moeder Sigbrit blindelings. Mede hierdoor en ook vanwege zijn denkbeelden en hervormingen vervreemde hij van zijn eigen adel. Uiteindelijk leidde dit alles tot zijn val.

 

Ondanks al zijn macht kon hij niet de vrouw van zijn leven trouwen, of Sigbrit officieel aanstellen tot zijn minister. En kon hij zichzelf zijn? Hoeveel van zijn daden zijn ingegeven door wat het volk (de adel, de keizer, de paus) van hem wilde zien?

 

Kasteel Nyborg

Kasteel Nyborg

Femke in Nyborg

Femke in kasteel Nyborg

 

Christian werd op 1 juli 1481 geboren op Nyborg Slot als derde zoon van Hans van Denemarken en Christine van Saksen. Hij werd vernoemd naar zijn opa, Christian I van Denemarken. Zijn broer Hans was voor zijn geboorte gestorven en ook zijn broer Ernst overleed jong. Daarom werd Christian als troonopvolger van zijn vader gekozen. Dit gebeurde in Denemarken al in 1487, in Noorwegen in 1489 en in Zweden (pas) in 1497. In Scandinavië kende men destijds geen erfopvolging van het koningschap, vandaar dat het zo belangrijk was dat Christian echt als opvolger van zijn vader werd aangewezen.

 

Een van de mythes die rondom Christians jeugd zijn ontstaan, is dat een aap uit de koninklijke menagerie ontsnapte en de prins uit zijn wieg haalde. Het dier nam Christian mee naar het dak van het kasteel, maar legde hem later terug. Waar of niet, in ieder geval is het een mooi verhaal. Het is gedeeltelijk in Koning in het noorden terechtgekomen en naar aanleiding van deze anekdote heb ik mijn Christian een voorliefde voor hoogtes meegegeven.

 

Amagertorv

Amagertorv in Kopenhagen. Links de plek waar het huis van de familie Bogbinder stond.

 

Højbro plads

Het huis van de Bogbinders ligt rechts (niet in beeld). We kijken uit over de Højbro plads. De toren in de verte is van Christiansborg, ooit het koninklijke paleis.

 

Op een gegeven moment in zijn jeugd liet koning Hans Christian in het gezin van de koopman Hans Bogbinder opnemen. Hij woonde toen dus niet op Københavns Slot, maar wel zo dichtbij dat de koning hem kon bezoeken. De koninklijke wijngaard grensde aan de tuin van de koopman. Bogbinders zonen Ambrosius en Hans hadden ongeveer dezelfde leeftijd als de prins. Ambrosius volgde later zijn vader op als burgemeester van Kopenhagen en Hans volgde Christian in ballingschap in de Nederlanden na zijn val. Hoe lang Christian bij de Bogbinders bleef is onduidelijk. Het kan zijn dat hij aan het eind van de zomer alweer terug was op Københavns Slot, het kan ook zijn dat hij langere tijd bij de koopman heeft gewoond.

 

Christians eerste leermeester was de kanunnik Jørgen Hintze die de onstuimige prins tussen zijn koorknapen in de Onze-lieve-vrouwenkerk in Kopenhagen zette en hem psalmen liet zingen als hij ongehoorzaam was. Dat was tegen de zin van koning Hans en daarom kreeg zijn zoon een andere leraar: de Duitse mester Conrad. Bovendien liet zijn vader Christian weer op het kasteel wonen.

 

Rosentårnet

Rosentårnet, waar Christian verbleef in Bergen.

 

 

 

 

Ridderzaal Kongshallen

 

 

 

Naast Rosentårnet stond Kongshallen, met een grote ridderzaal. In deze zaal gaf Christian vermoedelijk het feest waar hij Duveke ontmoette.

 

In 1506 stuurde de koning zijn zoon naar Noorwegen, waar hij als stadhouder/onderkoning fungeerde. In 1507 was Christian in Bergen, waar hij een bal gaf ter ere van de voornaamste burgers in de stad. Sommige bronnen zeggen dat dit feest in het Raadhuis heeft plaatsgevonden, andere beweren dat het op Kongsgården (nu Bergenshus) werd gehouden. Hoe dan ook, de bronnen zijn het er allemaal over eens dat Christian bij dit bal Duveke voor het eerst heeft gezien. Het meisje was negentien, Christian zesentwintig. De literatuur is ook eensgezind over het feit dat het voor in ieder geval de prins liefde op het eerste gezicht was, en dat hij diezelfde avond nog haar moeder Sigbrit om toestemming vroeg om de nacht met Duveke door te brengen.

 

Blijkbaar was Christian zo verliefd op Duveke, dat hij haar (en haar moeder) meenam naar Oslo. Op een steenworp afstand van de burcht liet hij een huis voor haar bouwen in de baai, zodat hij haar gemakkelijk kon bezoeken. De jaren 1507-1513 waren relatief rustig voor het paar; hun relatie hield in ieder geval stand en er zijn geen aanwijzingen dat er andere vrouwen waren in Christians leven. Deze jaren hebben waarschijnlijk de kiem gelegd voor het vertrouwen dat de prins later in de twee vrouwen stelde.

 

Er veranderde veel voor Christian toen zijn vader Hans onverwacht stierf in februari 1513 na een val van zijn paard. Ten eerste moest hij worden gekozen tot koning. In Denemarken ging dit gemakkelijk en in Noorwegen ook relatief simpel. In Zweden werd hij uiteindelijk aanvaard, maar het duurde nog tot 1520 voor hij daar echt tot koning gekroond werd. Zweden was altijd al een ‘opstandig kind’ als het erop aan kwam, ook koning Hans had heel wat te stellen gehad met het land. Voortdurend rebelleerde het tegen Denemarken. Een jaar later was Christian zijn Zweedse kroon dan ook weer kwijt.

 

Elisabeth van Denemarken

Elisabeth, de Christians koningin.

 

Om wettige nakomelingen te krijgen trouwde Christian in 1514 met Isabella van Habsburg, de zus van keizer Karel V. In Denemarken werd zij Elisabeth genoemd. Hij gaf Duveke echter niet op. Toen hij koning werd had hij zijn minnares en haar moeder Sigbrit meegenomen naar Kopenhagen en hun het landgoed Hvidøre gegeven dat even buiten de stad lag. Later kocht hij een huis (stadsboerderij) voor hen in het centrum van Kopenhagen, op loopafstand van zijn kasteel. Duveke had ook een eigen kamer in het kasteel, maar Christian liet haar nooit officieel bij zich wonen. In de literatuur heb ik gevonden dat tijdgenoten over het paar zeiden dat ze ‘als man en vrouw samenleefden’ maar tegelijkertijd is het duidelijk dat Duveke altijd haar eigen huis heeft gehad. Waarom woonde Duveke niet bij Christian, zoals wel vaker voorkwam bij vorsten met een maîtresse? Misschien heeft het feit dat zijn schoonfamilie fel tegen haar was er iets mee te maken, of kwam het doordat Duveke niet van adel was en Christian zijn gevolg niet te veel voor het hoofd wilde stoten.

 

In 1517 stierf Duveke onverwachts. Haar dood is nog altijd niet opgehelderd, maar er wordt beweerd dat ze vergiftigde kersen had gegeten. Had Christians schoonfamilie daar iets mee te maken? Of was het zijn vroegere kanselier Valkendorf, zoals Sigbrit vermoedde? Christian zelf liet de edelman Torben Oxe terechtstellen voor haar dood, maar er zijn geen bewijzen dat deze edelman de kersen naar Duveke heeft gestuurd.

 

Na de dood van Duveke schijnt Christian wantrouwiger en onberekenbaar geworden te zijn. Hij had nooit meer een (officiële) minnares. De relatie met zijn vrouw Elisabeth werd beter en hij vertrouwde haar en Sigbrit blindelings. De relatie met de moeder van zijn vroegere minnares werd nog hechter, dit tot groot verdriet van zijn adel. De Deense edelen hadden gehoopt dat Sigbrit zou worden weggestuurd nu Christians geliefde niet meer leefde. Niets was minder waar; hij liet haar toe bij de bevallingen van Elisabeth en vertrouwde zijn kinderen aan haar toe. Ze was zijn voornaamste raadgeefster en hij liet zijn koninkrijk aan haar en zijn vrouw over als hij op reis ging. Ze beheerde de tol over de Sont. Hij gaf haar privileges die alleen adellijke mannen normaal kregen, zeker geen vrouw, een buitenlandse bovendien.

 

Bloedbad van Stockholm

Het bloedbad van Stockholm op een wandtapijt op Christianborg in Kopenhagen.

 

Het zou kunnen dat Christian na de dood van Duveke een tijdje de weg kwijt was, letterlijk buiten zinnen van verdriet. Zo liet hij in 1520 na het drie dagen durende kroningsfeest na zijn zalving tot koning van Zweden een groep edelen en burgers executeren. Hij probeerde zich weliswaar in te dekken door in een brief naar de paus te verklaren dat deze groep zich tegen hem had gekeerd en ze ketters waren, maar het bleef een vreemde en wrede beslissing. Dit moeten we uiteraard in het licht van de zestiende eeuw zien, waarin vorsten vaak ongelooflijk meedogenloos konden optreden, maar in de literatuur wordt ook gezegd dat het vermoeden bestaat dat de dood van Duveke Christian transformeerde tot een misantroop.

 

In 1521 maakte hij volkomen onverwachts een reis naar de Nederlanden. Het was zijn droom om van zijn rijk een moderne handelsnatie te maken en hij kwam terug met allerlei ideeën. Hij wilde zijn kanselarij reorganiseren om zo meer controle te krijgen over de inkomsten van de belastingen. Hij maakte plannen om de export uit te breiden en van Kopenhagen, Malmö, Stockholm en Bergen in Noorwegen machtige koopmanssteden te maken als tegenhangers van de Hanzesteden. Hij wilde het muntsysteem aanpakken en schafte de slavernij voor boeren af.

 

Tijdens Christians leven was de Renaissance in volle gang. De aflaathandel vierde hoogtij, en het humanisme en de Reformatie probeerden een alternatief te bieden.

 

Christian stond in verbinding met grote denkers en kunstenaars als Erasmus, Dürer, Cranach en Luther. Hij besefte dat de pas uitgevonden boekdrukkunst een machtig pr-wapen kon zijn en deze nieuwe techniek werd door hem ten volle benut toen hij in ballingschap ging en zijn zaak in verschillende landen bepleitte om zo steun te krijgen. Zo verspreidde hij bijvoorbeeld zijn portret zodat iedereen wist wie hij was en hoe hij eruitzag.

 

Al die nieuwe ideeën en hervormingen gingen te snel en waren voor een groot deel in het voordeel van de koopliedenstand en in het nadeel van de Hanzesteden, de adel en de kerk. Ze leidden tot Christians val.

 

In 1523 vluchtte Christian met vrouw, kinderen, Sigbrit en een paar dozijn vertrouwelingen naar de Nederlanden, nadat zijn Rijksraad het vertrouwen in hem had opgezegd. Hij klopte aan bij Margaretha van Oostenrijk, de tante van zijn vrouw. In de Nederlanden gingen de wegen van Sigbrit en Christian uiteen.

 

Vlucht naar de Nederlanden

Christian II verlaat Kopenhagen op zijn vlucht naar de Nederlanden (1523). Schilderij van Hans Nicolaj Hansen (1853-1923), te zien op kasteel Sønderborg.

 

 

 

 

Handtekeningen Christian en Elisabeth

 

 

Christian en Elisabeth schrijven in 1525 het bestuur van Antwerpen aan. Hij ondertekent "Christiernus", zij "Ysabeau, zuster van Karel de Vijfde".

 

In de jaren daarna was Christian bezig om steun te verzamelen voor zijn zaak, namelijk het terugveroveren van zijn troon. Hij probeerde geld los te krijgen bij zijn familie in Duitsland, schoonfamilie in de Nederlanden, en bij de koning van Engeland. Ook zette hij steeds meer druk op zijn schoonfamilie, vooral op keizer Karel V, om de rest van de bruidsschat voor zijn vrouw uit te betalen. Hij had nog altijd een paar honderdduizend goudguldens tegoed. Keizer Karel zwichtte pas 8 jaar later, in 1531.

 

Toen kreeg hij een vloot schepen en een leger, en hij zeilde 24 oktober 1531 weg uit Medemblik. Helaas werd zijn vloot door een storm uiteengedreven en hij landde met minder dan 5.000 mannen in het Zuiden van Noorwegen. Hij hield een tijdje stand, maar werd beloofd dat hij onder vrijgeleide naar Kopenhagen mocht komen om met zijn oom (die de Deense troon had bestegen) te onderhandelen. Hij ging op zijn verjaardag, 1 juli 1532, naar Denemarken. Helaas voor Christian was de vrijgeleide een leugen en hij werd meteen gevangen genomen.

 

Kasteel Sønderborg

Kasteel Sønderborg, waar Christian van 1531

tot 1549 gevangen zat.

 

Tot aan 1549 zat hij vast in Sønderborg Slot, daarna, tot aan zijn dood in 1559, in kasteel Kalundborg. Hij was ex-koning, dus zijn gevangenschap was redelijk comfortabel. Hij had goede kleren en eten en mocht bv. paardrijden buiten het kasteel. Hij is de enige Deense koning die twee van zijn opvolgers (zijn oom Frederik I en diens zoon Christian III) heeft overleefd.

 

Terug naar boven

 

Isabella van Habsburg (Elisabeth van Denemarken)

 

Isabella werd in 1501 geboren in Brussel als prinses van Bourgondië en Oostenrijk. Deze vorstenhuizen waren met elkaar verbonden door het huwelijk van Maximiliaan van Oostenrijk met Maria van Bourgondië. De families heersten onder andere over de Nederlanden.

 

Jeugd

Na de dood van haar vader Philip de Schone, bleef Isabella aan het hof van haar tante Margaretha van Oostenrijk en groeide daar op. We weten niet veel over haar vroegste jeugd en alles wat we wel weten is omdat haar broer Karel V erbij betrokken was. Hun tante Margaretha voedde de kinderen van haar broer beschermd op: ze kwamen niet veel met andere mensen in aanraking die Margaretha niet zelf had uitgezocht en kwamen ook geen mensen tegen uit een andere laag van de bevolking dan van hun eigen stand.

 

Vlucht naar de Nederlanden

Standbeeld van Margaretha van Oostenrijk op de Grote Markt in Mechelen

Handtekeningen Christian en Elisabeth

Het paleis van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen.

 

Isabella verbleef het grootste deel van haar kindertijd in Mechelen. De eerste kindermeid van de kleine prinsessen was Anne de Beaumont, daarna gaf Louis Vacca de prinsessen drie jaar lang les samen met hun broer Karel.

 

De taal die aan het Mechelse hof werd gesproken was Frans en dit was de taal die Isabella vanaf haar jeugd sprak. Margaretha noemde haar dan ook Isabeau. De brieven die Isabella in haar jeugd schreef, waren ook in het Frans. Ze leerde ook Latijn.

 

Huwelijk

Voordat er een huwelijk tot stand kwam tussen Christian II en Isabella, waren er in 1509/1510 vergevorderde onderhandelingen voor een verbintenis tussen haar en hertog Karel van Gelre gevoerd. De hertog had een gloeiende hekel aan de Bourgondiërs en streed enige tijd tegen hen. In 1505 had hij zich overgegeven aan Philip de Schone, maar hij hervatte later de strijd. Door middel van een huwelijk zou men de strijdbijl misschien kunnen begraven. De onderhandelingen liepen uiteindelijk stuk en de regering in de Nederlanden meende dat ze wel zonder de vriendschap van de hertog kon. Overigens was Karel van Gelre drieëndertig jaar ouder dan Isabella!

 

Vanaf 1507 had koning Hans van Denemarken verschillende onderhandelingen gevoerd met betrekking tot een huwelijk voor zijn zoon Christian, maar de prins had zelf geen enkele interesse getoond omdat hij in het Noorse Bergen zijn minnares Duveke was tegengekomen met wie hij zo goed als samenleefde. In 1513 was Christian al bijna tweeëndertig jaar en het werd tijd dat hij trouwde. Het oog van koning Hans viel op een dochter van Philip de Schone. Het Deense koningshuis zou op die manier worden verbonden met keizer Maximiliaan en Christian zou de zwager worden van hertog Karel, die op dat moment al heer was over voor Denemarken belangrijke steden. Bovendien wist men dat de prinsessen van de Habsburgse Oostenrijkse dynastie een grote bruidsschat meekregen. Koning Hans wilde eigenlijk Isabella’s oudere zus Eleonora voor zijn zoon omdat ze niet zo jong meer was en bekend stond om haar schoonheid. Toen dat niet lukte nam hij genoegen met Isabella, zelfs al was ze op het moment van onderhandelen nog geen dertien jaar.

 

Het huwelijkscontract werd op 29 april 1514 ondertekend en is in het Latijn opgesteld. De bruidsschat werd vastgesteld op 250.000 Rijnse guldens, uitgezonderd kleding, sieraden en uitzet. Tweederde moest worden opgebracht door Spanje en een derde door de Bourgondische landen. Isabella kreeg een door Christian te betalen jaarlijkse toelage van 25.000 gulden. Als onderpand werden verschillende steden en kastelen in Sleeswijk-Holstein en op de Deense eilanden Lolland en Falster gegeven. Als deze onderpanden niet genoeg opbrachten, moest Christian het bedrag zelf aanvullen tot 25.000 gulden.

 

Op 11 juni 1514 (de eerste zondag na Pinksteren) werd de bruiloft gevierd in Brussel. Isabella en Christian hadden elkaar nog nooit gezien, zelfs nooit gesproken. Ze spraken elkaars taal niet. De bruidegom was bijna drieëndertig jaar, de bruid pas dertien. Christian was in Denemarken en liet zijn afgezant Mogens Gøje met de prinses trouwen.

 

De ring die Gøje aan de linkerhand van de prinses schoof was van goud met een saffier en de inscriptie Ave Maria gr. Dit is de eerste zin van het weesgegroetje: Ave Maria, gratia plena. Deze ring wordt nog steeds bewaard op Rosenborg Slot in Kopenhagen. De gelofte van Mogens Gøje was opgesteld in het plat-Duits en hij luidde: Ik Magnus Goye, plaatsvervanger van Christiern, koning van Denemarken, geef hoogachtende vorstin Elisabeth van Oostenrijk en Bourgondië mijn trouw, kracht en volmacht die mij is gegeven.’

 

Na de maaltijd werd de bruid de bruidskamer ingeleid en in een kostbaar bruidsbed gelegd. Het gezantschap van Christian kwam de kamer binnen en Mogens Gøje ging volledig gekleed naast Isabella liggen. Dit was in die tijd niets aanstootgevends, het was gewoon een vorstelijk gebruik. Het duurde nog een jaar voordat de prinses haar vaderland verliet en naar Kopenhagen ging.

 

Strand van Hvidøre

 

Strand van Hvidøre

Femke bij Hvidøre

Femke bij Hvidøre.

Plek waar Christians landgoed bij Hvidøre lag

Plek waar Christians landgoed bij Hvidøre lag.

 

Begin zomer 1515 werd er een vloot uitgerust om de prinses uit de Nederlanden te halen. Isabella zag uit naar de reis. Ze wist niets van de relatie tussen Christian en Duveke en ze zag een stralende toekomst voor zich. De zeereis verliep echter niet geheel vlekkeloos, Isabella werd ziek en ging een groot gedeelte over land. Waarschijnlijk heeft een hofdame haar ingelicht over Duveke, dus ze wist vermoedelijk al van de ontrouw van haar man voordat ze hem voor het eerst ontmoette. Christian had een klein landgoed in het dorp Hvidøre aan Duveke en Sigbrit geschonken en het was vlakbij dit huis dat hij zijn vrouw voor het eerst zag. Duveke kon zo uit het raam kijken om Isabella’s aankomst te volgen.

 

Zodra ze in Denemarken aankwam heette ze niet langer Isabella, maar werd voortaan Elisabeth genoemd.

 

De jonge vrouw werd niet zo gelukkig als ze zich als kind had voorgesteld. De koning bewees zijn vrouw wel alle eer die haar toekwam, maar zijn hart behoorde toe aan Duveke en het duurde lang voordat Elisabeth zijn liefde won. Maar haar omgeving won ze spoedig voor zich, niet alleen haar onderdanen maar ook de machtige hofadel die verschrikkelijk verbitterd was over de invloed van Duvekes moeder Sigbrit op de regering. Dat Elisabeth zich ongelukkig voelde blijkt uit een briefwisseling met haar zus Eleonora. Eleonora was verliefd op Frederik von Pfalz, uit het gevolg van Philip de Schone.

 

Elisabeth was de vertrouwelinge van haar zus geweest bij deze verhouding. Toen ze in Denemarken was schreef ze een aantal brieven aan Eleonora waaronder één waarin ze zei dat het pijn deed dat vrouwen een man moesten trouwen die ze nooit hadden gezien, een man van wie ze niet hielden en wiens gewoonten ze niet kenden. Ze moesten hem volgen naar het uiteinde van de aarde, zonder enige hoop ooit nog hun vaderland of hun verwanten terug te zien. De titel van ‘koningin’ was leeg, die moest men zien te vermijden en verafschuwen als een slang waarop men trapte.

 

Ondanks het feit dat Christian Duveke nooit opgaf tot aan haar dood in 1517, bleef Elisabeth veel genegenheid voor hem voelen en na de dood van zijn minnares groeiden de twee echtelieden naar elkaar toe. Ze volgde hem later ook in de Lutherse leer. Ook Sigbrit en Elisabeth hadden een merkwaardig goede verhouding. De jonge koningin leerde Deens en ze was buitengewoon geliefd bij de Deense bevolking.

 

Kinderen van Christian en Elisabeth

De kinderen van Christian en Elisabeth geschilderd door Jan Gossaert (Jean de Mabuse)

 

Christian en Elisabeth kregen de volgende kinderen: Hans (geboren 21 februari 1518, gestorven 11 augustus 1532), Maximilian en Filip (een tweeling, geboren in 1519 en kort na hun doop in 1519 gestorven), Dorothea (geboren 10 november 1520 en in 1535 getrouwd met keurvorst Frederik II von Pfalz, gestorven in 1580) en Christine (geboren eind 1521, getrouwd met 1. Hertog Frans II Sforza di Milano en 2. Hertog Frans I van Lotharingen, gestorven 10 december 1590)

 

Toen Christian in 1523 werd afgezet en met zijn gezin en gevolg moest vluchten, schreef Frederik I dat zijn vrouw met haar kinderen in Denemarken mocht blijven. Elisabeth antwoordde: Ubi rex meus, ibi regnum meum (waar mijn koning is, daar is mijn koninkrijk) en ze volgde haar man naar de Nederlanden.

 

St. Gummaruskerk Lier

De St. Gummaruskerk in Lier

Plek waar Christian woonde in Lier

 

 

 

De plek waar Christian en Elisabeth woonden in Lier.

Grote Markt Lier

 

 

 

Grote Markt in Lier.

 

In 1524 schonk Margaretha van Oostenrijk Christian en Elisabeth een oud kasteel in Lier. In 1496 hadden Elisabeths ouders hier hun bruiloft gevierd. Het kasteel en de bijgebouwen waren omgeven door een gracht en hoge muren en het kleine hof werd zo geïsoleerd van de rest van de stad. Naast het kasteel lag de grootste kerk van Lier: de Sint Gummaruskerk. Nu is er weinig over van het kasteel. Het heet tegenwoordig Hof van Denemarken en in de negentiende eeuw kreeg de straat waar het vlakbij ligt de naam Deensestraat. Een marmeren plaat op de muur herinnert aan de tijd van Christian en Elisabeth met de tekst: Christian II, koning van Denemarken woonde hier van 1524-1530.

 

Kasteel Zwijnaarde

 

 

 

 

 

Kasteel Zwijnaarde

Tombe van Elisabeth in Gent

Tombe van Elisabeth in de Pieterskerk te Gent.

grafsteen Elisabeth Odense

 

 

 

 

 

Grafsteen voor Elisabeth in de Knudskirke in Odense.

 

In 1526 stierf Elisabeth, slechts vijfentwintig jaar oud, na een kort ziekbed op kasteel Zwijnaarde. Om haar kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat haar familie hen ook zou helpen nadat ze gestorven was, was ze weer teruggekeerd naar het katholieke geloof, of was dat wel zo?

 

Christian heeft na de dood van zijn vrouw een brief geschreven aan Luther. Die is verloren gegaan, maar Luther heeft daarover verteld in brieven die hij weer naar anderen stuurde. Daaruit weten wij dat Elisabeth tot het laatst vasthield aan het ware Lutherse geloof, en dat Maarten Luther daar veel waarde aan hechtte.

 

Maar in de tweede helft van de 18e eeuw bracht Maria Theresia, keizerin van het Heilige Roomse Rijk,

grafin van Vlaanderen, een bezoek aan Gent. Zij was een nazaat van aartshertog Ferdinand, de broer van Elisabeth, en stond er op dat haar graf geopend werd. In het graf van Elisabeth vond men een loden koker met papieren waarop de katholieke priester Thomas Blanckaert had beschreven hoe haar laatste dagen verlopen waren. Margaretha van Oostenrijk heeft een reeks katholieke priesters aan haar sterfbed laten komen, maar ook de Lutherse pastor Jens Mikkelsen was aanwezig, op uitnodiging van haar man, Christian. Blanckaert beschrijft hoe Elisabeth tijdens de katholieke rituelen meermaals blijk had gegeven terug te wilde keren naar het Rooms katholieke geloof. Hij stelt dat zij het Heilig Oliesel ontvangen had in het bijzijn van Christian, en dat zij bij de gebeden een brandende kaars in haar hand had gehouden.

 

Hoe het ook zij, na haar dood nam Margaretha van Oostenrijk de kinderen van Christian en Elisabeth onder haar hoede. Ze zijn goed terechtgekomen in het leven en trouwden goede partijen.

 

De dood van Elisabeth verroorzaakte een schok in Noord-Westeuropa. Niet alleen bij de verwanten en vrienden van Christian en Elisabeth aan de hoven in Duitsland en in de Lage Landen, maar ook bij de bevolking. Zij was populair in Denemarken en de Nederlanden, en het dramatische verhaal van hun vlucht en dat zij 3 jonge kinderen achterliet spraken tot de verbeelding en riepen veel medelijden op. Hoewel wij niet kunnen nagaan of dat de reacties 500 jaar geleden net zo sterk waren als toen prinses Diana overleed, kunnen wij wel zeggen dat zij een soort kultfiguur werd, over wie verhalen verteld werden en liederen werden gezongen.

 

In het Antwerps liedboek (1544) is een lied bewaard gebleven met de titel Van die coninghinne van Denemercken. Het vierde couplet geeft weer hoe Christian afscheid nam van zijn vrouw:

 

Die Coninc sprac met weenenden ooghen
Och edel vrouwe en zijt niet verfaecht
Hoe falt mijn herte ghedoghe
Dat ghi dus deerlyc claecht.
Die kinderen sullen wel op gheraken
Den Keyser wort haer onderstant
Jc hope ick salt so maken
Gods gracie sal met mi waken
Dat ick sal comen in mijn lant.

 

Altaar in Odense

 

Altaar in St. Knuds kerk in Odense. Rechts koning Hans, achter hem zijn zoon Christian II.

Altaar in Odense

Links koningin Christine, achter haar haar schoondochter Elisabeth.

Femke steekt kaars op in Odense

Femke steekt kaars op in Odense voor Christian en Elisabeth.

 

Christian liet de kunstenaar Jean de Mabuse een prachtige tombe ontwerpen voor zijn koningin. Deze stelde Elisabeth liggend voor met een kroon op het hoofd en met gevouwen handen. Tijdens de Beeldenstorm van 1578 werd de tombe door (ironisch genoeg) de protestanten vernield. Gelukkig kon men op tijd het gebeente van Elisabeth redden, dat werd in een eenvoudige tombe geplaatst. In 1883 werden zowel Elisabeth als haar zoon Hans naast Christian herbegraven in de St. Knuds Kirke in Odense in Denemarken.

 

Ontwerp voor grafmonument Elisabeth

Ontwerp van het monument voor Elisabeth van Denemarken door Jan Gossaert (Jean de Mabuse).

 

Terug naar boven

 

De namen van de maanden van het jaar

 

De namen die wij nu gebruiken zijn afgeleid uit het Latijn, van de namen die de Romeinen gebruikten. Vanaf de 7e eeuw worden deze namen (met de verbreiding van het Christendom in Noordwest-Europa geleidelijk in gebruik genomen. Daarvóór gebruikten de mensen in ons woongebied eigen, Germaanse namen.

Deze namen geven de belangrijke gebeurtenissen in het jaar weer voor een boerensamenleving: lentemaand, bloeimaand, oogstmaand, zaaimaand, slachtmaand. Zie verder de tabel:

 

Moderne naam (uit het Latijn) Oude naam in de Noordelijke Nederlanden Oude naam in de Zuidelijke Nederlanden Oude naam in Denemarken
Januari Louwmaand Nieuwjaarmaand Glugmåned
Februari Sprokkelmaand Schrikkelmaand Blidemåned
Maart Lentemaand Lentemaand Tormåned
April Grasmaand Grasmaand Fåremåned (Faremåned)
Mei Bloeimaand Bloeimaand Majmåned
Juni Zomermaand Zomermaand Hømåned (Skærsommer)
Juli Hooimaand Hooimaand Ormemåned
Augustus Oogstmaand Koornmaand Høstmåned
September Herfstmaand Herfstmaand Fiskemåned
Oktober Wijnmaand Zaaimaand Sædemåned (Liljemåned)
November Slachtmaand Slagtemåned Slachtmaand
December Wintermaand Wintermaand Julemåned (Kristmåned)

 

In het Nederlandse taalgebied zijn die oude namen ook nog eeuwenlang gebruikt, nu zijn zij in onbruik geraakt. De Franse revolutionairen hebben een heel nieuw kalendersysteem ontworpen, met “revolutionaire” namen voor de maanden. In het onder Frans bewind staande Koninkrijk Holland, dat van 1806 tot 1810 heeft bestaan (onder koning Lodewijk Napoleon Bonaparte, de broer van Napoleon), was het verplicht om de oude Nederlandse namen voor de maanden te gebruiken. Maar toen hij was afgezet is men weer de Latijnse namen gaan gebruiken. Ook de schrijver Guido Gezelle heeft geijverd om de Nederlandse namen weer in te voeren. Omdat deze namen als oer-Nederlands gezien werden, zal het niemand verbazen dat rond 1935 de leden van de NSB, de Nationaalsocialistische Beweging, de Latijnse namen links lieten liggen en weer de Nederlandse maandnamen ging gebruiken.

 

Tot 1500 worden de namen van maanden minder vaak gebruikt om akten te dateren. Men gebruikte de heiligenkalender, elke dag was wel de naamdag van een of andere heilige. Zo schreef men bijvoorbeeld niet “op de 11e dag van november” maar “op Sint-Maartens dag”. In de vroege 16e eeuw worden vooral maanden en dagen gebruikt in akten, zoals “26e dag van maart”. Akten werden opgesteld voor de bovenlaag van de samenleving, door professionele schrijvers, die allen Latijn konden lezen en schrijven. Voor 1500 waren zeer veel akten ook in het Latijn opgesteld, wat zou kunnen verklaren dat de Latijnse maandnamen gebruikt werden door de elite. Wij vermoeden dat de boeren en burgers eerder de Nederlandse maandnamen hebben gebruikt, maar kunnen dat niet bewijzen omdat daar geen bronmateriaal over bekend is.

 

Als laatste nog de vraag: wat was de eerste maand van het jaar? Voor de Romeinen was dat maart, de maand waarin de lente begon en het nieuwe leven (de lammetjes, de bloemen buiten) weer geboren werd. We zien dat nog aan september (septa – 7), oktober (octa – 8), november (nona – 9) en december (deca - 10). December is bij ons de 12e maand, terwijl het voor de Romeinen de 10e was.

 

In de tijd van Christian II begon het nieuwe jaar met Pasen, het belangrijkste Christelijke feest. Dat is voor ons verwarrend, want als je op een akte “15 april 1510” ziet staan, dan moet je weten wanneer Pasen viel in dat jaar. Viel Pasen op of vóór 15 april, dan was het jaar 1510, ook volgens onze kalender. Maar viel het ná 15 april, dan was het nieuwe jaar nog niet begonnen voor de mensen van toen. Terwijl wij nu al vanaf 1 januari zouden zeggen dat het jaar 1511 al begonnen was. In Vlaanderen en Brabant was Goede Vrijdag (vrijdag voor Pasen) de eerste dag van het jaar, in de rest van de Lage Landen was dat Stille Zaterdag (zaterdag voor Pasen). Deze jaarstijl wordt Paasstijl genoemd.

 

Sinds wanneer begint ons nieuwe jaar dan op 1 januari? In de Zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen) is dit op 31 december 1575 gebeurd. De volgende dag, 1 januari, begon daar het jaar 1576. In De Noordelijke Nederlanden (Holland en Zeeland) zijn in de periode 1544-1563 steeds meer mensen overgegaan om het jaar op 1 januari te laten beginnen. Pas in 1571 werd besloten dat dit systeem voorgoed zou worden ingevoerd in de Noordelijke Nederlanden. Dus op 31 december 1571 volgde 1 januari 1572, in het hele land.

 

Terug naar boven

 

Sigbrit en Duveke, twee Amsterdamse vrouwen aan het hof van Christian II

 

Mijn zoektocht naar informatie over Sigbrit Willemsdr. (ook wel Sybrich of Syberich) was moeizamer dan die naar Christian. Dit kwam vooral omdat er weinig bronnen waren over haar. In de zestiende eeuw waren er nog geen doop-, trouw- en begraafregisters en ze heeft nauwelijks sporen achtergelaten in de archieven. Ik was afhankelijk van de literatuur waarin zij genoemd wordt en van de archiefstukken en brieven van Christian II van Denemarken waarin zij voorkomt. Het ontbreken van andere sporen in de archieven doet vermoeden dat zij niet van adel was, maar ze kon wel lezen en schrijven. Er zijn ook geen portretten of iets dergelijks van haar bekend. Wanneer ze wordt beschreven is dat vaak als een grove vrouw van middelbare leeftijd, een beschrijving die haar niet flatteert omdat hij werd gegeven door haar vijanden.

 

Groentenkoopvrouw

Detail (een groentenkoopvrouw) van De Nieuwmarkt in

Amsterdam, schilderij van Bartholomeus van der Helst

(1613-1670).

Pompejus Occo

 

Pompeius Occo (door Dirck Jacobsz.).

 

 

Waarschijnlijk kwam Sigbrit uit Amsterdam, waar ze fruit (en eventueel ook groente) verkocht. Haar geboortedatum en geboorteplaats zijn onbekend. Ze moet rond 1510 geboren zijn. In één boek heb ik gevonden dat ze misschien in Hoorn werd geboren en dat ze wie weet wel met een lakenkoopman uit Alkmaar getrouwd was, maar deze informatie heb ik nergens kunnen verifiëren. Over haar familie is weinig te vinden: ze had in ieder geval een zus met de naam Wilm en een broer die Herman heette. Deze Herman werd later leenman op Kongsgården (nu Bergenshus) in Bergen (Noorwegen) en was in dienst van Christian. Herman kende ook Pompejus Occo, de bankier uit Augsburg die zich in 1511 in Amsterdam had gevestigd. Pompejus was Christians factor of agent. Een apotheker met de naam Dionysius komt ook in Sigbrits brieven voor, vermoedelijk was ook hij haar broer. Deze Dionysius wordt aangeduid als Christians apotheker. Sigbrit zelf wist ook veel van kruiden. Later werd dit tegen haar gebruikt en beweerde men dat ze een heks was die de koning in zijn macht had en betoverde met haar brouwsels.

 

Wanneer en waarom deze Sigbrit Willemsdr. in het Noorse Bergen terechtkwam is onbekend. Zij en haar dochter Duveke moeten er voor 1507 al hebben gewoond, want in dat jaar maakte de Deense prins kennis met de twee vrouwen.

 

Sigbrit was getrouwd met ene Nicolaas, maar we weten niet wanneer en waar het huwelijk werd gesloten of hoe lang ze bij elkaar waren. In ieder geval was Sigbrit een alleenstaande vrouw met een kind toen zij in aanraking kwam met Christian. In Bergen dreef ze waarschijnlijk een herberg en/of verkocht brood en gebak op Stranden. Zij werd uitgenodigd op het bal dat Christian gaf ter ere van de belangrijkste burgers in Bergen en het is op dit feest dat haar dochter en de prins met elkaar dansten. Diezelfde avond nog vroeg Christian Sigbrit of zij hem toestemming gaf om de nacht met Duveke door te brengen.

 

Bergen in de 17e eeuw

Bergen in de 17e eeuw. Rechts de wijk waarin Sigbrit en Duveke woonden en werkten.

Hollendergaten

Hollendergaten in Bergen. Hier woonden vooral de Hollanders die handel kwamen drijven.

Sigbrits huis

Femke voor het huis in Hollendergaten waar Sigbrit volgens de overlevering woonde.

Dyvekegangen

Van Hollendergaten loopt een smal weggetje naar zee: Dyvekegangen. Natuurlijk is het café naar Christian en de wijnkelder naar Dyveke vernoemd.

Hollendergaten

Bryggen, hier woonden en handelden de leden van de Hanze (Lübeckers). De voorkant is de "mooie kant".

Hollendergaten

Maar de steegjes er achter geven veel meer het middeleeuwse gevoel.

 

Ik heb er lang over nagedacht waarom een moeder van een eerzaam meisje dit zou toestaan. Het was natuurlijk de zestiende eeuw, een tijd waarin vorsten als een absolute autoriteit werden gezien en veel macht hadden. De literatuur benadrukt overal dat Duveke geen hoer was. Misschien had het meisje zelf aangegeven dat ze de prins zag zitten, misschien was Sigbrit bang dat Christian boos zou worden als ze weigerde en haar privileges zou intrekken. Haar beslissing heeft er in ieder geval toe geleid dat de twee vrouwen mee naar Oslo gingen en dat hun verdere leven onlosmakelijk met dat van Christian werd verbonden.

 

Akershus

 

Steile weg die naar de ingang van kasteel Akershus in Oslo leidt.

Akershus

De binnenplaats van Akershus.

 

 

 

Akershus

 

 

Een van de kamers in Akershus.

Dyvekes hus

Volgens overlevering is dit het huis waarin Duveke woonde, de foto is uit 1910. Het lag aan de baai waaraan ook Akerhus ligt.

Dyvekes hus

Het huis is verplaatst naar een ander deel van Oslo en gerenoveerd. In 2015 stond het te koop; Jan Tomas Espedal maakte toen deze foto.

Dyvekes hus

 

"Dyvekes hus" zoals het tegenwoordig vanaf de weg te zien is.

 

Sigbrit was geen geleerde, maar zoals hierboven gezegd, ze kon lezen en schrijven. Vanwege haar eigen zaak was ze waarschijnlijk ook goed met cijfers. Naarmate haar populariteit bij Christian groeide, kreeg ze meer verantwoordelijkheden totdat ze uiteindelijk de tol over de Sont beheerde en Christians voornaamste raadgeefster was. Haar positie wekte haat op bij de Deense edelen en er kwamen geruchten op gang. Bijvoorbeeld dat ze leden van Christians hofhouding in de winterkou liet staan voor de deur van haar huis, en dat ze had gezegd dat ze de koning in haar macht had en dat hij alles deed wat ze zei zolang hij maar dicht genoeg in haar buurt was. Ook met koningin Elisabeth moet Sigbrit goed hebben kunnen opschieten want samen zorgden ze voor alle regeringstaken als Christian van huis was. Zelfs al werd haar positie nooit geformaliseerd, toch had ze veel invloed.

 

Hvidøre

Op deze plek in Hvidøre stond het huis waar Sigbrit en Duveke, destijds gebouwd door Hans, de vader van Christian. In dit moderne huis leefde douarière-keizerin Maria Feodorovna, moeder van de laatste tsaar Nicolaas II en dochter van de Deense koning Christian IX.

Hvidøre

Het uitzicht over zee dat Sigbrit en Duveke hadden.

Amagertorv

Nu is Amagertorv de P.C. Hooftstraat van Kopenhagen, destijds was het een gebied waar de rijken hun huis hadden en waar er markt gehouden werd.

Amagertorv

Op een hoek van Amagertorv (bij de Niels Henningsens Gade) is de plek waar Sigbrits huis stond. Christian had het gekocht van Mogens Gøje, na hun vlucht is het huis weer in het bezit van de familie Gøje gekomen.

 

Maar toen Christian werd afgezet, was dat ook meteen het einde van Sigbrits macht. Ze volgde hem in ballingschap naar de Nederlanden. Volgens sommige bronnen moest ze aan boord worden gesmokkeld in een ton, omdat ze tegen die tijd zo gehaat werd dat haar anders iets werd aangedaan door de inwoners van Kopenhagen. Bij aankomst in de Nederlanden moest ze vluchten voor landvoogdes Margaretha van Oostenrijk. Deze kon Sigbrits bloed wel drinken omdat ze zo’n invloed had op Christian en hij jarenlang Sigbrits dochter Duveke -zelfs tijdens zijn huwelijk met Margaretha’s nichtje Isabella (Elisabeth)- weigerde op te geven.

 

Toen Christian in Mechelen aan het hof kwam, verdween Sigbrit. De keurvorst van Brandenburg en de regering in de Nederlanden zochten tevergeefs naar haar. Ze wilden haar verhoren omdat ze dachten dat Christian verborgen schatten had en omdat ze hoopten dat ze staatsgeheimen zou prijsgeven. Vermoedelijk bleven Christian en Sigbrit met elkaar contact houden, maar hoe dat weten we niet.

 

In 1532 zat er een vrouw in de gevangenis van Vilvoorde van wie het vermoeden bestaat dat ze Sigbrit zou kunnen zijn. Deze vrouw is als heks verbrand, maar er bestaat geen bewijs dat ze ook werkelijk Sigbrit was. Daarom is behalve haar geboortedatum, ook Sigbrits sterfdatum onbekend.

 

Duveke (ook wel Duif, Duifje) is zo mogelijk nog ongrijpbaarder dan haar moeder. Over haar is bitter weinig te vinden. Waarschijnlijk werd ze in Amsterdam geboren. In sommige bronnen staat dat ze negentien jaar was toen ze Christian ontmoette, in andere zeventien. Haar geboortedatum wordt dus rond 1490 geschat.

 

Christian en Dyveke

 

Christian II en Duveke. Schilderij van Vilhelm Jakob Rosenstand, 1838-1915.

 

Duveke moet een echte schoonheid zijn geweest, een van de redenen waarom Christian onmiddellijk voor haar viel. Van haar bestaan helaas ook geen afbeeldingen. Het blonde meisje op het schilderij van Vilhelm Rosenstrand (1885) is een verzinsel van de schilder. Wel is bekend dat zij luit speelde, vandaar dit instrument in haar handen op ditzelfde doek.

 

Dat Sigbrit haar moeder was, staat in ieder geval vast. Duveke wordt dan ook vaak Duveke Sigbritsdochter (of in het Deens Dyveke Sigbritsdatter) genoemd. Haar vader kan Nicolaas zijn geweest, maar op haar verdwenen grafsteen stond dat ze een dochter was van ene Ottaca.

 

Veel meer dan dat ze mooi is geweest en dat ze van Christian heeft gehouden, is niet bekend over Duveke. Daarom heb ik bij het schrijven van Koning in het Noorden een tijdlang gezocht naar hoe ik kleur aan haar moest geven als personage. Ik kon me gewoonweg niet voorstellen dat de prins (en latere koning) zo lang geboeid zou worden door een vrouw als het alleen om het uiterlijk ging. In principe kon hij gemakkelijk aan bedpartners komen tegen wie zijn edelen en schoonfamilie minder bezwaren hadden dan tegen Duveke. Op zich werden minnaressen bij de adel geaccepteerd, aangezien alle huwelijken gearrangeerd waren en alleen plaatsvonden om te zorgen dat de respectievelijke families er beter van werden en om te zorgen voor nageslacht. Christians vader, koning Hans, leefde gescheiden van zijn moeder koningin Christine, en woonde openlijk samen met haar vroegere hofdame Edele Jernskæg. Het feit dat Duveke een burgermeisje was en dat haar moeder zo’n prominente rol speelde aan Christians hof, waren waarschijnlijk genoeg redenen om haar weg te wensen.

 

In 1517 stierf Duveke na een kort ziekbed volkomen onverwachts. Als reden voor haar dood wordt vaak gezegd dat ze vergiftigde kersen had gegeten. Volg voor complottheorieën rond haar dood deze link (link volgt binnenkort). Ze werd begraven bij het Karmelietenklooster in Helsingør.

 

Terug naar boven

 

Albrecht Dürer

 

Albrecht Dürer werd 21 mei 1471 geboren in Neurenberg in Duitsland, als zoon van Hongaarse immigranten en overleed in dezelfde plaats op 6 april 1528. Dat maakt hem 10 jaar ouder dan de Deense koning Christian II.

 

Zelfportret van Dürer.

 

Albrecht Dürer, zelfportret, 1498

 

Dürer heeft zichzelf ook een aantal keren geportretteerd. Een mooi voorbeeld is het zelfportret hierboven, uit 1498, bewaard op het Museo del Prado in Madrid. Het toont een jonge zelfverzekerde meester kunstenaar op het toppunt van zijn roem.

 

Als kunstenaar profiteerde Dürer van de vooruitgang die er in de boekdrukkunst in de tweede helft van de 15e eeuw gemaakt werd. Zijn atelier specialiseerde zich in druktechnieken, waarbij de kopergravure belangrijk was: die maakte een grote oplage mogelijk. Hierdoor werd de verspreiding van zijn werk gemakkelijker en winstgevender. Ook maakte hij reizen naar Italië en kwam zo in aanraking met de schildertechnieken, de cultuur en de filosofie van de Italiaanse renaissance. Daardoor ging hij kunst maken die voor die tijd in Noord-Europa van ongekend hoog niveau was. Daarom werd de populairste en invloedrijkste Noord-Europese kunstenaar van zijn tijd.

 

Vanaf 1512 kwam Dürer in de gunst van Maximiliaan I, de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij werd Dürers voornaamste opdrachtgever en kende hem een lijfrente toe. Maar Maximiliaan stierf op 12 januari 1519 en Dürer moest zekerstellen dat hij ook in de gunst kwam van de nieuwe keizer, Karel V, de kleinzoon van Maximiliaan. Die werd op 23 oktober 1520 in Aken gekroond, en in juli 1520 trok Dürer met zijn vrouw en haar dienstmeid naar Keulen, per Rijnschip, en maakte vervolgens een tocht door de Lage Landen, naar Antwerpen, Nijmegen, den Bosch, Brugge, Gent en Zeeland. Wij weten dat zo nauwkeurig omdat het dagboek dat hij van zijn reizen door de Lage Landen heeft bijgehouden bewaard is gebleven, het bevat een schat aan informatie voor kunsthistorici.

 

Op zijn reizen probeert Dürer zo veel mogelijk mensen van aanzien te spreken, die een goed woordje voor hem zouden kunnen doen bij Karel V. Wat dat betreft was het heel gunstig dat hem in juni 1521 een audiëntie werd verleend door Margaretha van Oostenrijk, de dochter van Maximiliaan I, tante van Karel V en de landvoogdes van de Nederlanden. Zij toonde hem haar collectie schilderijen en haar steun heeft er veel aan bijgedragen dat hij inderdaad ook in de gunst van Karel V is gekomen.

 

Het moet rond die tijd geweest zijn dat Dürer (toen 50 jaar) en Christian II (40 jaar oud), elkaar hebben ontmoet. Bij die gelegenheid heeft Dürer de koning getekend, het portret wordt nu bewaard in het British Museum in Londen.

 

Christian II door Dürer

 

Christian II geportretteerd door Albrecht Dürer.

 

Voor Dürer was de ontmoeting een goede kans omdat Christian de zwager van Karel V was en dus voor hem zou kunnen pleiten, maar Christian II had net zo veel voordeel aan de ontmoeting: je laten tekenen door een van de grootste kunstenaars van die tijd laat nog eens extra zien hoe groot je macht is, als Koning in het Noorden.

 

Terug naar boven

 

 

Lucas Cranach de Oude

 

Lucas Cranach werd in 1472 geboren in Kronach en is zo aan zijn achternaam gekomen. Hij is op 16 oktober 1553 overleden in Weimar. Zijn vader was schilder en heeft hem waarschijnlijk het vak van schilder (en van graveur en etser) geleerd. Er is verder weinig bekend over zijn jeugd.

 

Tussen 1502 en 1504 verbleef hij in Wenen, waar hij door zijn contacten aan de universiteit het humanistische gedachtengoed oppikte. In 1505 kreeg hij een aanstelling als hofschilder van keurvorst Friedrich de Wijze van Saksen. Daarom vestigde hij zich in Wittenberg, waar het kasteel van de keurvorst stond.

 

Christian II door Dürer

 

Signatuur van Lucas Cranach de Oude.

 

Lucas Cranach had een bijzondere manier om zijn werken te signeren: met een gekroonde vliegende slang die een ring in zijn bek had. In 1508 gaf de keurvorst van Sachsen, zijn broodheer, hem het recht om dit beeldmerk ook als familiewapen te voeren. In datzelfde jaar stuurde de keurvorst hem op diplomatische missie naar de Lage Landen (naar Mechelen), om portretten te schilderen van keizer Maximiliaan I, zijn kleinzoon (en latere keizer) Karel V en nog enkele andere familieleden.

 

In Wittenberg werd hij vrienden met de kerkhervormers Maarten Luther en Philip Melanchton. Toen Maarten Luther op 13 juni 1525 met Katharina von Bora trouwde, was Lucas Cranach zijn getuige.

 

Christian II door Dürer

 

De Cranach apotheek in Wittenberg. Rechts de poort die toegang tot het Cranach Hof geeft.

Christian II door Dürer

 

In het Cranach Hof.

Christian II door Dürer

 

In het Cranach Hof.

 

Zakelijk ging het hem goed: hij had een schilderatelier, een drukkerij/uitgeverij/boekhandel en een papierhandel. In 1513 opende hij een wijnschenkerij. In 1520 opende hij de eerste (en lange tijd enige) apotheek in Wittenberg. Ook verkocht hij voor die tijd waardevolle goederen als kruiden, bijenwas en suiker. Als gevierd kunstenaar, succesvol ondernemer en bezitter van het grootste huizencomplex in Wittenberg stond hij ook lokaal in hoog aanzien, en bekleedde posten in het stadsbestuur. Van 1537 tot 1544 was hij zelf enkele malen burgemeester.

 

Na de dood van zijn heer Frederik de Wijze diende Lucas Cranach ook zijn twee opvolgers: Johan de Standvastige en Johan Frederik I, de grootmoedige. In 1547 verloor deze Johan Frederik de slag bij Mühlberg van de keizerlijke troepen, en werd gevangengezet. In 1550 volgde Cranach zijn heer en trok naar Augsburg, en later naar Innsbruck, en werkte daar voor Johan Frederik en zijn bezoekers. De werkplaats in Wittenberg had hij overgedaan aan zijn zoon, Lucas Cranach de jongere. In Augsburg ontmoette hij Titiaan, de grote Italiaanse meester. In 1552 kreeg Johan Frederik een nieuwe residentie in Weimar, en weer volgde Cranach zijn heer, in Weimar woonde hij in bij zijn dochter Barbara. Daar stierf hij op 16 oktober 1553, 81 jaar oud.

 

Frederik III de Wijze, keurvorst van Sachsen

 

Frederik III de Wijze, keurvorst van Sachsen.

 

In 1523 moest Christian II uit Denemarken vluchten en werd koeltjes ontvangen door zijn schoonfamilie in Mechelen. Hij had steun van anderen nodig om zijn kroon te kunnen heroveren en bracht bezoeken aan zijn naaste familie, zoals zijn zwager Joachim, keurvorst van Brandenburg, en zijn oom (van moederskant) Friedrich de Wijze, keurvorst van Sachsen, die in Wittenberg zijn residentie had. Tijdens zijn bezoek verbleven Christian en zijn kleine gevolg in het grote huis van Lucas Cranach, waar de koning ook Luther en zijn latere vrouw, Katharina von Bora heeft ontmoet.

 

pentekening Christian door Cranach

 

Pentekening van Cristian II door Cranach.

Christian geschilderd in de werkplaats van Cranach

 

Cristian II geschilderd in de werkplaats van Cranach

 

Cranach heeft verschillende portretten van Christian II gemaakt. Net zoals Luther had Christian door dat afbeeldingen heel nuttig kunnen zijn om (letterlijk) de beeldvorming bij mensen naar je hand te zetten. Dat was toen iets relatief nieuws, omdat er grote vorderingen waren gemaakt in de drukkunst, waardoor snel grote oplagen gemaakt konden worden. De portretten vormen een “ideaalbeeld”, waarop Christian steeds op een gelijke manier werd afgebeeld. Als een sober (christelijk/deugdelijk) levende koning, zonder kroon maar met baret op het hoofd, en een met bont afgezette mantel om zijn schouders. En met verwijzingen naar zijn hoogadelijke waardigheid, soms met familiewapens omgeven, maar bijna altijd met de eretekenen van de orde van het Gulden Vlies om zijn hals.

 

Gulden vlies

 

Eretekenen van de orde van het Gulden Vlies.

 

In de vroege 16e eeuw werd deze orde bestuurd door de Habsburgers, door keizer Maximiliaan I en later door zijn kleinzoon en opvolger, Karel V. Leden werden voor het leven benoemd, en het aantal leden was beperkt tot 30. Het lidmaatschap gaf grote politieke invloed, want alle leden waren machtig, en men had het recht om het hoofd van de orde (de keizer dus) te adviseren over militaire en staatszaken. Ook was de orde door paus Leo X erkend en hadden de leden ook pauselijke privileges gekregen. Het dragen van de eretekenen liet dus zien hoe hoog Christian II in aanzien stond.

 

Terug naar boven

 

 

De Unie van Kalmar

 

In 1363 trouwde Margrethe, de tienjarige dochter van de Deense koning Valdemar Atterdag, met de 18-jarige Håkon, die samen met zijn vader Magnus Smek koning was over zowel Noorwegen als Zweden. Het was een politiek huwelijk, waarin beide vaders-koningen steun van elkaar wilden verwerven en hun macht wilden uitbreiden. Dit plan leek al snel geweldig mis te gaan. Al een paar maanden na dit huwelijk stierf Margrethes enige broer, waardoor Denemarken zonder troonsopvolger kwam te zitten. En in 1364 werden Magnus Smek en Håkon afgezet door de edelen, en werd Albrecht van Mecklenburg, neef van Magnus Smek, tot koning aangesteld.

 

Maar omdat zij West-Zweden stevig in hun grip hadden en nog steun hadden van een groot deel van de Zweedse edelen hebben zij tot aan hun dood als koningen geregeerd over Noorwegen en het Westelijke deel van Zweden, en hebben nooit hun claim op heel Zweden opgegeven.

 

Daarom werd Olav Håkonsson, het enige kind van Håkon en Margrethe, volgde in 1376, 6 jaar oud, zijn grootvader Waldemar op als koning van Denemarken. Toen zijn vader Håkon in 1380 stierf, erfde Olav op 10-jarige leeftijd de Noorse kroon van zijn vader. Hiermee begon een Deens-Noorse unie die ruim 4 eeuwen, tot 1814, zou duren.

 

Sarcofaag van Margrethe

 

Sarcofaag van Margrethe I, domkerk van Roskilde.

 

Margrethe was een wijze vrouw en een kundig diplomaat. Als regentes voor haar zoon Olav bepaalde zij feitelijk de Deens-Noorse politiek in die tijd. Haar doel was om de 3 Scandinavische landen (Denemarken, Noorwegen en Zweden) te verenigen om zo een vuist te kunnen maken tegen de Hanzesteden, die zeer machtig waren.

 

Het kwam haar goed uit dat in Zuid-Zweden (Skåne) de Hanze niet geliefd was, omdat bij de vrede van Stralsund in 1370 de Hanze bedongen had dat zij daar de haringmarkt zouden controleren tot 1385. Door grote diplomatische druk uit te oefenen en door oogluikend piraterij tegen de handelsvloot van de Hanze toe te staan bogen de Hanzesteden uiteindelijk en kwam Skåne weer in Deense handen.

 

Ook werkte het in Margrethes voordeel dat de nieuwe Zweedse koning, Albrecht van Mecklenburg, helemaal niet geliefd was in zijn land. Door te onderhandelen met de Zweedse edelen wist Margrethe te bereiken dat zij Albrecht wilden afzetten en haar zoon Olav tot koning van Zweden wilden kronen. Maar voor het zover was, stierf Olav in 1387, nog geen 17 jaar oud.

 

De Deense rijksraad koos Margrethe als regent in 1387, maar zij zag in dat haar invloed van korte duur zou zijn als zij geen mannelijke opvolger had. Zij nam daarom Bogislav, de kleinzoon van haar zuster, aan als pleegkind. In 1387 lukte het haar om Noorwegen te laten erkennen dat Bogislav erfrecht op de Noorse kroon had, en zichzelf tot regent van Noorwegen te laten benoemen. Als toekomstig Noors koning kreeg Bogislav een nieuwe, Scandinavische, naam: Erik.

 

Later dat jaar werd zij door de Zweedse edelen die tegen koning Albrecht waren ook tot regent van Zweden gekozen. Het Oostelijke deel van Zweden, inclusief Stockholm, was toen nog in handen van de Hanze, maar na wat schermutselingen moest ook koning Albrecht buigen voor Margrethe, die daarmee regentes was van heel Scandinavië: Denemarken, Noorwegen (inclusief IJsland, Groenland en de Orkneys, Shetland eilanden en de Faeröer) en Zweden (inclusief een deel van Finland).

 

De Unie van Kalmar

 

Het door de Koning in het Noorden bestuurde rijk.

 

In de jaren daarna werkte Margrethe met succes aan het verstevigen van haar positie. Zij trok allerlei politieke en bestuurlijke ambten en bevoegdheden naar zich toe, wat de positie van de regent/koning sterker maakte en die van de rijksraad zwakker.

 

Margrethe is nooit officieel koningin geweest. Dat was haar niet gegund als vrouw in die tijd. Zij werd “Gevolmachtigd vrouwe en hoofd en voogdes over het Deense rijk” genoemd. Toch wordt zij gezien als een van de grootste koning(inn)en die Denemarken heeft gekend. Het zou tot 1972 (560 jaar na haar dood) duren voordat Denemarken weer een koningin als staatshoofd zou hebben. De huidige koningin van Denemarken heeft zich Margrethe II genoemd, als eerbetoon aan haar illustere voorgangster.

 

In 1396 werd haar pleegkind Erik gekroond tot koning van Denemarken en Zweden, en toen was het tijd voor haar laatste zet: het verenigen van de drie Scandinavische rijken. Op 17 juni 1397 werd Erik in Kalmar in Zweden gekroond als eerste Koning in het Noorden. Margrethe zou regentes blijven totdat Erik meerderjarig was. Maar ook toen Erik volwassen was en officieel de macht in handen had, zou Margrethe veel invloed blijven uitoefenen, tot aan haar dood in 1412. Het verbond van de drie koninkrijken zou bekend worden als de Unie van Kalmar.

 

Document Unie van Kalmar

 

Het document waarme de Unie van Kalmar bezegeld werd.

 

De Unie van Kalmar, die in 1397 werd opgericht, was een personele unie tussen de koninkrijken Denemarken, Noorwegen en Zweden. Een personele unie is een staatsvorm waarbij de landen (juridisch tenminste) zelfstandig blijven maar onder één koning(in) vallen. Een voorbeeld is Nederland en Luxemburg. Dat waren in de 19e eeuw twee zelfstandige landen onder dezelfde koning. Toen koning Willem III in 1890 zonder zonen na te laten stierf, werd in Nederland Wilhelmina zijn opvolgster. Luxemburg beriep zich echter op meer dan 1000 oude wetgeving en eiste dat de Luxemburgse troonopvolger een man moet zijn, en daarmee kwam de personele unie tussen Nederland en Luxemburg ten einde.

 

De opvolgers van Margrethe waren helaas politiek een stuk minder vaardig dan zij. Al onder koning Erik wilden Noorwegen en Zweden de unie alweer opzeggen, maar verenigden zich weer onder zijn neefje en opvolger Christoffer van Beieren. Maar om koning te worden moest hij de edelen en de rijksraad vergaande bevoegdheden geven. Christoffer overleed plotseling in 1448, zonder een zoon na te laten, en de rijksraad moest op zoek naar een nieuwe koning die geen bloedverwant was. Die vonden zij uiteindelijk in Christian I, hertog van Sleeswijk en Holstein. Christian I trouwde in 1449 met de weduwe van zijn voorganger. Hun zoon Hans, die ook koning van Denemarken (1481-1513), Noorwegen (1483-1513) en Zweden (1497-1501) was, kennen wij als de vader van prins Christian uit het begin van het boek Koning in het Noorden.

 

Christoffer van Beieren

 

Christoffer van Beieren.

Christian I en Dorothea

 

Christian I en zijn vrouw Dorothea

(eerder weduwe van Christoffer van Beieren).

 

In die tijd was het ook al weer roerig in Zweden, en Christian II, de zoon van Hans, had grote moeite om het rijk bij elkaar te houden. Het is waarschijnlijk dat zijn vader hem heeft opgevoed in het besef van het belang van het verminderen van de macht van de rijksraad en de Hanze, en het bijeenhouden van de Unie, zoals zijn voorgangers al een eeuw lang hadden gedaan. Die erfenis was ook een plicht die zwaar op hem gedrukt moet hebben. Het lukte Christian om het afvallige Zweden te veroveren in het najaar van 1520. Maar door het bloedbad dat hij liet aanrichten in Stockholm werd zijn kroon hem binnen een jaar, al in 1521 weer afgenomen. Zijn afzetting als koning van Denemarken en Noorwegen en zijn vlucht naar de Nederlanden markeren het definitieve einde van de Unie van Kalmar.

 

Christian II was daarmee de laatste Koning in het Noorden.

 

Terug naar boven

 

 

Pompeius Occo

 

Pompeius Occo

 

Pompeius Occo geschilderd door Dirck Jacobsz., rond 1531 (Rijksmuseum te Amsterdam).

 

Pompeius Occo was een Duits-Nederlandse koopman die leefde van 1483 tot 1537. Zijn naam suggereert dat hij uit Oost-Friesland kwam, Pompeius is de Latijnse versie van de Oost-Friese voornaam Poppe. Maar hij werkte voor het bankiershuis Fugger dat zijn hoofdkwartier had in Augsburg. Deze zeer machtige familie Fugger bestond uit kooplieden en bankiers, onder meer van de keizers Maximiliaan I en Karel V.

 

Rond 1510 vestigde Pompeius zich in Amsterdam, om er een vertegenwoordiging van het bankiershuis Fugger te openen. Zijn huis genaamd Het Paradijs in de Kalverstraat werd een plek waar kunstenaars en intellectuelen/humanisten uit heel Europa elkaar ontmoetten. Het is onduidelijk of hij het huis erachter, aan het Rokin, er meteen heeft bijgekocht, of dat hij dat wat later gedaan heeft.

 

Er is onderzoek gedaan naar de ligging, de bouw en het uiterlijk van zijn huis, daarover is hier meer te lezen. Het huis stond op de hoek van de eerste steeg van de Kalverstraat naar het Rokin. Destijds werd die steeg Popiussteeg genoemd, naar de beroemde familie die er woonden. Later is het Papenbroeksteeg gaan heten. In de zeventiger jaren van de 20e eeuw stonden daar hotel Polen en een filiaal van De Slegte. Na de brand in het hotel is het gebouw afgebroken en is er een nieuw pand neergezet.

 

Als vertegenwoordiger van de Fuggers en culturele smaakmaker bediende Pompeius Occo vooral Scandinavische kerkelijke en wereldlijke machtshebbers. Die diensten konden zowel financieel als cultureel zijn. Sommige van zijn klanten stonden zeer hoog in aanzien. Voor het boek Koning in het Noorden is relevant dat hij nauwe banden had met koning Christian II en ook met de aartsbisschop van Nidaros (Trondheim), Erik Valkendorf. Het is bekend dat Occo samenwerkte met een Herman Willemsz., de broer van Sigbrit Willems, die een hoofdrol speelt in het boek.

 

Voor Christian II was Occo een “factor”: hij kocht spullen in, die hij voor de koning naar Denemarken liet zenden: buskruit, ijzer, cement, bakstenen uit Gouda, klinkers uit Leiden, maar ook Leids laken, fluweel, damast, goud- en zijdenlaken, zelfs verbruiksartikelen, waaronder suiker en kaas. Maar hij betaalde ook (reis)geld aan boodschappers en loon aan ambachtslieden die in Nederland werk voor Christian uitvoerden. Ja, hij zorgde er zelfs voor in 1521 dat er een min (een vrouw die een baby zoogt voor iemand anders) gevonden werd, die naar Denemarken afreisde, om Christine, het jongste kind van Christian en Elisabeth, te zogen.

 

Het was dan ook helemaal niet gek dat, toen Christian onverwachts de stad bezocht, eind augustus 1521, hij de gast was van zijn goede zakenpartner Pompeius Occo, die bovendien ook de rijkste van van de stad was. Er werd op het water een steekspel voor de koning opgevoerd, dat hij kon bekijken vanuit Occo's huis aan het Rokin. Daarna gaf Occo een feest in zijn huis, waarbij de koninklijke hofhouding en het Amsterdamse stadsbestuur danste met de 40 schoonste maagden die Amsterdam op dat moment te bieden had. Na afloop van het feest, in de vroege uurtjes, werden de jonge vrouwen onder begeleiding van bewakers met fakkels weer thuisgebracht.

 

Op dit moment loopt er een door NWO gefinancierd onderzoek naar het leven van Pompeius Occo en zijn persoonijke invloed op de culturele uitwisseling tussen Scandinavië en de Nederlanden.

 

Erg informatief is een artikel van G.W. Kernkamp dat in 1915 verscheen in de Mededeelingen van het Historisch Genootschap. Hij vertelt daar over een rekeningenboekje dat Occo bijhield voor koning Christiaan II van Denemarken, dat loopt van 1520 tot en met 1523. Dat geeft inzicht in de persoonlijke relatie die Occo, de koning en hun entourages hadden.

 

De eerste inschrijving in het boekje dateert van 27 april 1520. Er staat dat Pompius Occo en Harmon Wilmzon (de broer van Sigbrit) de rekening hebben opgemaakt en dat de koning en Pompeius weer quitte waren. Dat laat zien dat Occo al vóór 1520 zaken deed met Christiaan II, maar daar zijn geen rekeningen van bewaard gebleven. Overigens is het al erg bijzonder dat er een rekeningenboekje bewaard is gebleven, dat geeft ons een schat aan informatie.

 

Sigbrit komt zelf vaak voor in de rekeningen, zij geeft Pompeius Occo opdrachten. Zo staat er regelmatig “up Moers schriven” (op Moeders schrijven), “sandt ick an Sybrech Wilmsdochter” (stuurde ik aan Sigbrit Willems), “up Sybrech Moers schriven” (op schrijven van Moeder Sigbrit) en “up bevel van Sybrich Moer” (op bevel van Moeder Sigbrit).

 

Ook vinden we Christians jeugdvriend Ambrosius terug in het boekje: “Ambrosius Boeckbinder in Septembre verleden 200 golden gulden, de he tho Coppenhaven weer betaelen sall.” Ambrosius kreeg dus 200 goudguldens van Occo in Amsterdam, die hij in Kopenhagen weer terug moest betalen aan Christian. Ambrosius Bogbinder was een zoon van Hans Bogbinder, oud-burgemeester van Kopenhagen. Christian heeft in zijn jeugd een tijdje bij het gezin Bogbinder gewoond.

 

In 1522 heeft Occo zelfs een tijd in de gevangenis gezeten vanwege de Koning in het Noorden. Christian had de Sonttol verhoogd, en de Nederlandse handel op de Oostzee had daar veel last van. In het voorjaar 1522 vertrok daarom een groep Nederlandse gezanten naar Denemarken. Ze werden erg onaangenaam ontvangen in Kopenhagen, en werden er van beschuldigd dat ze de Hanzesteden tegen Denemarken hadden opgestookt, omdat hun reis naar Kopenhagen over Lübeck was gegaan. Ze kregen geen toestemming om Denemarken te verlaten. Occo reisde in de zomer van 1522 naar Dordrecht samen met Anton van Metz, een vertrouweling van Christian. Zij wilden daar bij de Landvoogdes vragen om betaling van een deel van de bruidsschat die zij nog schuldig was aan Christian en Elisabeth. De landvoogdes wilde Christian onder druk zetten en liet Pompeius en Anton arresteren, zij werden afgevoerd naar de gevangenis van Vilvoorde, waar zij tot 17 november 1522 hebben gezeten. Pas toen Pompeius en Anton weer waren vrijgelaten, gaf Christian de Nederlandse gezanten toestemming om Denemarken te verlaten.

 

Pompeius Occo leefde goed van de diensten die hij aan de rijken van die tijd bewees. Het was dus van groot belang dat hij op goede voet stond met al zijn relaties, ook al hadden zijn relaties onderling de grootste ruzie. Zo kreeg Occo waarschijnlijk last met Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes, en hij zou natuurlijk graag in de gunst van haar en keizer Karel V willen blijven staan. Op 17 februari 1523, dus een aantal maanden voor de vlucht uit Denemarken, schrijft Alexander Kyngorne vanuit Amsterdam aan Christian dat Pompeius Occo hem had verzocht of de koning hem “nicht mer (wolde) belasten ader beswaren, gelt an eme tho vorschrivende, wente he hefft klare rekenschop gemaket tho Hermen Wilmessen”. Met andere woorden: hij heeft de rekening opgemaakt met Hermen, de broer van Sigbrit, en hij verzoekt of de Koning hem niet meer wil vragen geld namens hem uit te geven. Occo wilde graag in dienst blijven van Christian, maar wilde wel graag dat Christian daartoe een verzoek richtte aan de Landvoogdes, zodat Occo met beide partijen een goede relatie kon houden.

 

De Unie van Kalmar

 

Geschilderd door Jacob Cornelisz. van Oostsanen (museum voor schone kunsten te Antwerpen): linksonder Pompeius Occo en rechtsonder zijn vrouw Gerbrich Claes.

 

De relatie tussen Christian en Pompeius duurde, ondanks de dreigementen van het Mechelse hof, nog wel even voort. Zo lezen we in een brief van Christian aan Herman Willemsz., van januari 1525: “Up den anderen artykell, Sybrecht belangende, geven Ire Kon. W. [Christiaan II] ter antwort, dat se sich alsnu een jaer verleden voer die durchluchtichste hoechgebaerne furstynne vrouw Margriete, Ertzhertzoichgynne etc. gedachter Sybrecht gans und all ontslaegen hebben und hebben sich hoerre bysheer nyet aengenomen, noch oich en willen, anders dan Ire Kon. W. nu kortlich dem ersamen Pompeius Occo bevaelen hebben.” Met andere woorden: de koning schrijft aan Herman, de broer van Sigbrit, dat hij Sigbrit moest ontslaan van aartshertogin Margaretha, de landvoogdes, en haar niet meer in dienst wil of zal nemen. Anders dan wat Christiaan laatst aan Occo bevolen heeft. Dit laatste moet bijna wel betekenen, dat Sigbrit geld kreeg van Christian, en dat de betaling via Pompeius Occo liep.

 

Het is onbekend tot wanneer de relatie tussen Pompeius en Christian voortduurde. Ik hoop dat door het bovengenoemde, door NWO gefinancierde, onderzoek nieuwe feiten op tafel zullen komen.

 

Terug naar boven

 

 

Desiderius Erasmus van Rotterdam

 

Erasmus van Rotterdam

 

Desiderius Erasmus van Rotterdam geschilderd door Hans Holbein de Jonge, 1523.

 

Desiderius Erasmus werd op 28 oktober 1466, 1467 of 1469 geboren in Rotterdam en stierf in Bazel op 12 juli 1536. Zijn vader, Gerard, was een priester in Gouda, die Erasmus als onwettig kind had verwekt bij zijn huishoudster, Margaretha. Waarschijnlijk heeft Margaretha, hoewel zij in Gouda woonde, haar zwangerschap in Rotterdam doorgebracht, om te verbergen dat zij een kind had gekregen met een priester.

 

Erasmus heeft geworsteld met zijn afkomst, ook al zou de voornaam Desiderius (gewenste), die zijn ouders hem hadden gegeven, hem tot troost hebben moeten zijn. In brieven aan de paus heeft hij geheimzinnig gedaan over zijn afkomst en geboortejaar, en heeft zijn zaak bepleit. De paus heeft hem in 1517, toen hij ongeveer 50 jaar oud was, dispensatie verleend, dat heeft de juridische gevolgen van zijn onwettige geboorte opgeheven.

 

Erasmus leek voorbestemd voor een leven als geestelijke en werd na zijn basisopleiding aan de Latijnse scholen in Deventer (waar hij in contact kwam met de humanisten Rudolf Agricola en Alexander Hegius) en ’s-Hertogenbosch in 1492 tot priester gewijd. Maar de bisschop was hem goed gezind en stond hem in 1495 toe om theologie te gaan studeren in Parijs. Daar leerde hij een van de leidende humanisten aldaar, Robert Gaguin kennen, via wie hij in Engeland terechtkwam, en aan de universiteit van Oxford doceerde. Niet alleen kwam hij daar aan het hof, waar hij in contact kwam met het zoontje van de koning, de later Henry VIII (de beruchte Tudor koning die 6 vrouwen heeft gehad, waarvan hij er twee heeft laten onthoofden). Maar ook leerde Erasmus in Engeland belangrijke humanisten kennen als Thomas More, die het beroemde boek Utopia heeft geschreven.

 

In 1500, na zijn terugkomst in Parijs, schreef hij zijn eerste boek, en het werd een bestseller, mede dankzij de pas uitgevonden boekdrukkunst die het mogelijk maakte grote oplagen te maken die voor de gegoede burgerij te betalen waren. Het boek heette Adagia en bevatte een verzameling spreekwoorden.

 

In de periode 1506-1509 was Erasmus in Italië en op de terugreis (hij ging weer naar Engeland) schreef hij zijn beroemdste boek, de Lof der Zotheid.

 

Lof der Zotheid

 

Bazel, 1515: vroege druk van de Lof der Zotheid. De tekening in de kantlijn is van Hans Holbein de Jonge.

 

Erasmus hield zo van het werk van de Bazelse drukker Johannes Froben, dat hij naar Zwitserland afreisde en in Bazel zijn twee grote geestelijke werken schreef: zijn tweetalige uitgave van het Nieuwe Testament (in het originele Grieks en zijn nieuwe vertaling in het Latijn) en de brieven van de kerkvader Hiëronymus.

 

Daarna werd hij benoemd tot raadsheer van keizer Karel V en woonde hij in de periode 1516-1521 in de Zuidelijke Nederlanden, in Antwerpen, Brugge, Leuven en Mechelen. In 1521 woonde hij in Anderlecht, op uitnodiging in het huis van zijn vriend Pieter Wyckman.

 

Hof van Busleyden

 

Het Hof van Busleyden (2018).

 

Het Hof van Busleyden (2018).

 

In 1517 stierf andere vriend van Erasmus: Jeroen van Busleyden, van oorsprong Luxemburger, jurist, lid van de Grote Raad van Mechelen, maar ook priester en kanunnik van de St. Romboutskathedraal in Mechelen. Zijn palazzo bestaat nog steeds, en staat nu bekend als Museum Hof van Busleyden. De feesten die hij er gaf waren beroemd. Hij ontving er gasten als Adriaen Boeyens (de latere paus Adrianus VI) en Thomas More, die daar in het palazzo is begonnen te schrijven aan zijn meesterwerk, Utopia.

 

Drietalencollege

 

Het Drietalencollege te Leuven (2010).

 

In zijn testament had van Busleyden bepaald dat er een nieuw college gesticht moest worden in Leuven, waarin de drie belangrijke talen van de Bijbel onderwezen moesten worden: Latijn, Grieks en Hebreeuws. Erasmus heeft ervoor gezorgd dat dit daadwerkelijk werd uitgevoerd en zo opende in 1518 het Drietalencollege, dat tot ongeveer 1800 dienst heeft gedaan als universiteitscollege.

 

De denkbeelden van Erasmus zijn bepalend geweest voor een heel rijk. In 1516 schreef hij Institutio, Opvoeding van een Christelijke vorst, voor de jonge koning van Spanje, de latere keizer Karel V. Hij stelt daarin dat de mens vrij is, en dat een Christelijk vorst niet tiranniek mag heersten over andere Christenen. En in 1517 schreef hij Quarela pacis, de klacht van de vrede. Hij was tegen nationalisme, vooral als dat tot oorlog leidde. “De Duitser ligt overhoop met de Fransman en alle twee bestrijden ze de Spanjaard. Wat kan er slechter zijn dan volken die elkaar bestrijden alleen omdat ze andere namen hebben?”

 

In 1517 begon ook de protestantse reformatie, door Luther in gang gezet. Hoewel Erasmus niet onsympathiek stond tegenover de ideeën, wees hij wel het optreden van Luther af. Erasmus had felle kritiek ontvangen op zijn nieuwe vertaling in het Latijn, want de originele vertaling in het Latijn was volgens katholiek dogma een door God geïnspireerde tekst. Dat Luther zijn Griekse uitgave gebruikte om het Nieuwe Testament in het Duits te vertalen, dat werd Erasmus ook kwalijk genomen: hij was daarmee de wegbereider van de protestantse reformatie geworden, zo vond men. Erasmus bleef liefst afzijdig van de twisten en pleitte meermaals voor tolerantie tussen katholieken en protestanten. Maar toen hij onder druk werd gezet schreef hij in 1524 een verhandeling tegen de leer van Luther.

 

De laatste jaren van zijn leven bracht Erasmus door in Freiburg im Breisgau, tot hij in 1535 naar Bazel vertrok. Daar leefde hij nog tot 12 juli 1536; hij ligt begraven in de Münster van Bazel.

 

 

Erasmushuis Anderlecht

 

Het huis van Pieter Wyckman in Anderlecht, waar Erasmus in 1521 heeft gewoond.

 

Christian, Koning in het Noorden, was op rondreis in de Nederlanden van juni tot september 1521. In die tijd verbleef Erasmus in Anderlecht, in het huis van zijn vriend Pieter Wyckman. Erasmus vertelt over een ontmoeting met Christian in een brief aan Willam Warham, de aartsbisschop van Canterbury, gedateerd 23 augustus 1521.

 

Erasmus had gehoord dat zijn goede bekende, Thomas Wolsey, kardinaal te York, op 14 augustus 1521 keizer Karel V zou treffen, in Brugge, en was vanuit Anderlecht naar Brugge gegaan. Deels om vrienden daar te ontmoeten en deels in de hoop om de kardinaal te spreken over het boek dat de Engelse koning had geschreven, waarin hij de opvattingen van Luther bestreed. Erasmus wilde het boek graag lezen en de kardinaal had beloofd om het aan hem op te sturen, maar om de een of andere reden was het niet aangekomen. Erasmus prees de koning dat hij niet naar de wapens greep om het ware Roomse geloof te verdedigen, maar in plaats daarvan de pen ter hand had genomen en de intellectuele strijd was aangegaan, dat paste perfect bij de denkbeelden die Erasmus had.

 

Christian was in die tijd ook in de buurt van de keizer, die toen nog maar 21 jaar was. Christian was 40 en dus meer ervaren. Toen hij de keizer sprak zonder zijn raadgevers erbij, kon hij Karel V er toe bewegen om hele oude middeleeuwse afspraken over Deense rechten met betrekking tot Lübeck en het leenrecht over Holstein te herbevestigen.

 

Bij zijn verblijf in Brugge heeft Erasmus kennelijk ook Christiaan gesproken, want hij schrijft in zijn brief dat er zedelijk verval is binnen de (Rooms katholieke) kerk, en dat het een krachtige remedie nodig had. Hij zegt vervolgens: “Was het maar waar wat de onoverwinnelijke Deense koning Christiaan vermoedelijk bij wijze van scherts zei, toen ik een soortgelijke opmerking maakte: dat met lichte geneesmiddelen niets wordt bereikt, maar dat het eigen is aan doeltreffende middelen, dat het hele lichaam eerst ontregeld wordt.”

 

Dat laatste is een gevleugelde uitspraak geworden in Denemarken, omdat men vond dat die uitspraak tekenend was voor het wereldbeeld van de Koning in het Noorden.

 

Terug naar boven

 

 

Erik Valkendorf

 

Erik Valkendorf

 

Erik Valkendorf ontmoet Sigbrit en Duveke op de markt van Bergen in Noorwegen.

Schilderij uit 1876 van Eilif Petersen (1852-1928).

 

Erik Valkendorf was van opleiding een geestelijke, had een betrekking aan de dom van Roskilde en kwam in 1490 in dienst van de Deense kanselarij. Koning Hans koppelde Valkendorf aan zijn zoon, prins Christian. Het is bekend dat Valkendorf in 1499 bij de ceremonie aanwezig was waarbij prins Christian werd aangewezen als Zweeds troonopvolger. Hij werd kanselier en koning Hans zond hem in 1506 met prins Christian naar Noorwegen, de prins werd namens zijn vader regent over Noorwegen. Valkendorf was daar een van Christians vertrouwelingen, sekretaris en privé raadsman.

 

Voor het veel vertelde, romantische verhaal dat Christian zijn minnares Duveke via Valkendorf heeft leren kennen is geen bewijs te vinden in de archieven.

 

Christian was geen vriend van aartsbisschop Gautes van Nidaros (Trondheim), en er deed zich een kans voor toen deze in 1510 stierf. De geestelijken in Trondheim hadden uit hun midden een opvolger gekozen, die Christian ook vast niet goedgezind was. Daarom vroeg Christian aan zijn vader koning Hans, om contact met paus Julius II op te nemen, en om Valkendorf als nieuwe aartsbisschop aan te laten wijzen. Valkendorf heeft later beweerd dat hij geen zin had in deze post en hem alleen met grote tegenzin aanvaard heeft.

 

In 1513 overleed koning Hans en aartsbisschop Valkendorf kwam toen naar de onderhandelingstafel in Kopenhagen, waar bepaald werd onder welke voorwaarden prins Christian zich koning van Denemarken en Noorwegen mocht noemen. In 1514 kroonde hij Christian in Oslo tot koning van Noorwegen, en in 1515 leidde Valkendorf de diplomatieke missie die koningin Elisabeth, de vrouw van Christian, vanuit de Nederlanden naar Denemarken escorteerde. Het was Valkendorf die Christian toen het advies gaf om zich van Duveke te distantiëren. Dat was een eis van Christians Habsburgse schoonfamilie, de keizer Maximiliaan I en de landvoogdes van de Nederlanden, Margaretha van Oostenrijk. Christian weigerde echter Duveke op te geven.

 

Munt met wapen Valkendorf

 

Munt geslagen in Nidaros (Trondheim) terwijl Erik Valkendorf aartsbisschop was. Deze keerzijde laat het Valkendorf familiewapen zien.

 

Daarna had Erik Valkendorf pas echt tijd om zich aan zijn taken als aartsbisschop te wijden. Het aartsbisdom van Nidaros bezat zeer veel geld en land, dus Valkendorf was niet alleen geestelijk maar ook wereldlijk leider in zijn deel van Noorwegen. De domkerk van Nidaros (Trondheim) was in verval geraakt en Erik begon leiding te geven aan het herstel ervan. Langzaam veranderde zijn positie van vertrouweling van prins Christian tot tegenspeler van koning Christian. Christian legde het aartsbisdom zeer hoge belastingen op. Ook moest Erik een leger leveren aan Christian, om tegen de opstandige Zweden te vechten.

 

Duveke stierf onverwacht in 1517. Haar moeder Sigbrit en haar minnaar Christian vermoedden kwade opzet en Valkendorf kwam onder vuur te liggen. Hij was immers de brenger van de impopulaire Habsburgse eis om Duveke te laten vallen. Misschien had hij het niet zelf gedaan, maar hij kon er best iets mee te maken hebben, zo moeten Sigbrit en Christian gedacht hebben.

 

Er werden in ieder geval personen aangesteld in Noorwegen door Sigbrit en Christian die het leven vervelend voor Valkendorf maakten: Jørgen Hansen en Hans Mule bijvoorbeeld. Valkendorf voelde zich in 1521 zo in het nauw gedreven dat hij buiten de koning zich tot de Deense Rijksraad wilde wenden, als laatste hoop.

 

Hij zette per schip koers van Trondheim naar Kopenhagen, maar zijn schip is door een storm van koers geraakt en veel zuidelijker uitgekomen, waarop men besloot om eerst Amsterdam aan te doen. Valkendorf kon zo ook Pompeius Occo bezoeken, zijn bankier in de Nederlanden.

 

Zij deelden een passie voor mooie boeken, en toen aartsbisschop Valkendorf in 1517 voor de eerste keer een bezoek aan Occo bracht in Amsterdam, had hij hem een prachtige bijbel geschonken waarin fraaie tekeningen stonden. Deze Bijbel maakte deel uit van de collectie van het museum Enschedé in Haarlem. Occo heeft verschillende boeken projecten gefinancierd in de Nederlanden, en Valkendorf deed hetzelfde in Noorwegen, waaronder enkele van de oudste boeken die in Noorwegen zijn uitgekomen.

 

Kazuifel van Valkendorf

 

Kazuifel, gedragen door Erik Valkendorf.

 

Het toeval wilde dat koning Christian toen ook in de Nederlanden was, en spontaan en onaangekondigd een bezoek aan Amsterdam en Pompeius Occo bracht. En dus prompt Erik Valkendorf tegen het lijf liep, een verrassing voor hen allebei. Valkendorf was in Amsterdam al vervelend behandeld door Herman, de broer van Sigbrit, en door Wilm, haar zuster. En bij de onverwachte ontmoeting explodeerde Christian: hij beschuldigde zijn oude trouwe raadsman en dienaar ervan gestolen te hebben van de schatten van de domkerk van Trondheim. Hij eiste ook dat de magistraat van Amsterdam Valkendorf zou arresteren en opsluiten, maar daar gingen de bestuurders van Amsterdam niet op in.

 

Het werd Valkendorf zo heet onder de voeten dat hij naar Utrecht trok, en veiligheid zocht bij zijn collega, de Bisschop van Utrecht. Vanuit Utrecht correspondeerde hij met de Deense Rijksraad, die hij uitgebreid verslag deed van hoe onheus hij bejegend was door Christian, Sigbrit en hun entourage. Hij schreef: “omdat meester Didrik Slagheck, meester Hans Mule, Sigbrit en de haren de dienst uitmaken, kan ik niet rekenen op de wet en ook niet op rechtvaardigheid.” Maar er gebeurde niets waardoor hij zich veiliger ging voelen: de Rijksraad antwoordde hem dat hij niets te vrezen had. Uiteindelijk heeft Valkendorf 133 gulden van Pompeius Occo geleend voor een reis naar Rome, die in november 1521 is begonnen. Christian vond goed dat Occo dat op zijn rekening schreef, dan zou hij het later weer terugkrijgen van Valkendorf. Daarnaast gaf hij wat persoonlijke spullen in onderpand aan de burgemeesters van Amsterdam, tegen een lening van 147 goudguldens.

 

Valkendorf wilde in Rome zijn beklag doen bij Paus Leo X, die hij goed kende. Maar voordat Valkendorf op 2 februari 1522 in Rome aankwam, was Paus Leo X al overleden. En intussen was er een nieuwe gekozen, Adriaen Florisz. Boeyens, uit de Nederlanden, die zich als paus Adrianus VI ging noemen. Ook dit was een bekende van Valkendorf, omdat de nieuwe Paus in het verleden ook het hof in Mechelen heeft geadviseerd. Valkendorf had hem ontmoet in 1515, toen hij koningin Elisabeth zou vergezellen op haar reis naar Denemarken, om haar man, koning Christian, te ontmoeten.

 

Paus Adrianus VI

 

Adriaen Florisz. Boeyens, later bekend als Paus Adrianus VI, geschilderd door Jan van Scorel, kort voor de dood van Adrianus in 1523.

 

Maar het noodlot sloeg toe: voordat hij het met Paus Adrianus over zijn zaak kon hebben overleed Erik Valkendorf op 28 november 1522 in Rome, aan een epidemie, vermoedelijk de pest.

 

Terug naar boven

 

 

Christian II in de Nederlanden

 

Belfort Lier

 

Het Belfort van het stadhuis in Lier.

 

Koning Christian II is tweemaal voor lange(re) tijd in de Nederlanden geweest. De eerste keer heeft hij een rondreis gemaakt. Dat had hij plotseling besloten, in juni 1521, het was zelfs een verrassing voor zijn vrouw, koningin Elisabeth. Zijn reis duurde tot september 1521 en hij bezocht het hof in Mechelen, zijn zwager keizer Karel V, en ontmoette de grote kunstenaars en geleerden van die tijd, zoals Erasmus en Dürer.

 

Hij deed ook steden in de Noordelijke Nederlanden aan, waarbij zijn bezoek aan Pompeius Occo in Amsterdam beroemd geworden is. Overal waar hij was legde hij contact met vaardige handwerkers, en informeerde hij zich over de laatste nieuwtjes op het gebied van techniek. Ook de wetgeving in de Nederlanden boeide hem, hij liet diverse keurboeken (stedelijke wetsteksten) overschrijven, en eenmaal thuisgekomen wilde hij de Scandinavische wetgeving hervormen naar voorbeeld van de Nederlanden.

 

De tweede keer bleef hij 8 jaar lang in de Nederlanden, omdat hij in ballingschap moest gaan. In 1523 werd de situatie in Denemarken onhoudbaar en moest Christian met zijn gezin en een handvol getrouwen vluchten. Frederik I, die zich als nieuwe koning opwierp, heeft Elisabeth nog aangeboden dat zij met de kinderen in Denemarken mocht blijven en dat zij een pensioen van hem kon krijgen. Daarop antwoordde zij: ubi rex meus, ibi regna mea (waar mijn koning is, daar is mijn land). Op 13 april 1523 verliet een kleine vloot schepen de haven van Kopenhagen. Er wordt verteld dat Sigbrit inmiddels zo gehaat was dat zij verstopt in een kist aan boord is gebracht, zodat niemand haar zou zien. Op 1 mei landden 14 schepen, na geplaagd te zijn door stormen, in het Zeeuwse Veere, waar zij acht dagen de gastvrijheid genoten van Adolf van Bourgondië, de heer van Beveren, en zijn vrouw Anna van Bergen.

 

Belfort Lier

 

Christian, Elisabeth en hun drie kinderen op het schip dat hen naar Veere zal brengen. Schilderij van Hans Nicolaj Hansen (1853-1923), te zien op kasteel Sønderborg.

 

Adolf van Bourgondië heeft Christian en zijn gezin begeleid op hun reis naar Mechelen, naar het hof van de landvoogdes en tante van koningin Elisabeth, Margaretha van Oostenrijk. Deze laatste ontving hen koel en deed weinig om hen te helpen. Zij zou ook geëist hebben dat Christiaan zich zou ontdoen van Sigbrit, hoewel het niet helemaal bekend is wat er met Sigbrit is gebeurd na de vlucht naar de Nederlanden.

 

De steden Kopenhagen en Malmö waren nog op de hand van Christian, en ook Søren Norby op Gotland was hem trouw gebleven. Met de 150.000 guldens die zijn schoonfamilie hem nog schuldig was, zou hij een leger op de been kunnen brengen om zijn troon te heroveren, zo dacht Christian. Helaas was Karel V in Spanje en in oorlog met Frankrijk en claimde dus niet veel geld te hebben. Wel zonden Karel V en Margaretha van Oostenrijk brieven naar de Denen, de Lübeckers en de Duitsers, waarin zij eisten dat Christian terug zou komen op de troon, maar er kwam allemaal weinig van.

 

Uiteindelijk lukte het Christian in de zomer van 1523 om met financiële steun van zijn Noordduitse familie een huurleger op de been te brengen. Maar omdat de bruidsschat steeds maar niet uitbetaald werd viel het leger al snel weer uit elkaar, het was niet te financieren voor hem.

 

Daarna ging Christian in september 1523 langs zijn Duitse familie, want aan moederszijde had hij belangrijke ooms, zoals de keurvorst van Brandenburg, in Berlijn, en de keurvorst van Sachsen, in Wittenberg. In Wittenberg ontmoetten Christian en Elisabeth de reformator Maarten Luther, van wie zij zeer onder de indruk waren. Zij gingen over naar de Lutherse leer en bestelden een Deense vertaling van het Nieuwe Testament bij de uitgeversfirma die Lucas Cranach ondertussen had opgezet. De Lutherse sympathieën van Christian en Elisabeth waren een bron van grote zorg voor de Habsburgse familie, die zich de verdediger van de Rooms katholieke leer voelden.

 

In april 1524 kwam het tot een treffen in Hamburg tussen de Noordduitse vorsten, gezanten van het Habsburgse hof, gezanten van de paus, van de koning van Engeland en van de Hanzesteden. Een van de zaken die daar op tafel lag was hoe actief men Christian wilde blijven steunen in zijn claim op de Deense troon. Er waren zowel vertegenwoordigers van Christian als van zijn opvolger (zijn oom Frederik I) aanwezig. Frederik had de controle over heel Denemarken en dus ook over de Sont, en die passage naar de Oostzee was cruciaal voor de handel in de Nederlanden. Dat die handel niet in gevaar zou komen was een van de belangrijkste overwegingen voor de Habsburgers om Christian niet te steunen.

 

Hierop besloot Christian zijn eigen plan te trekken. In de zomer van 1524 rustte hij een kapervloot uit onder leiding van Klaus Kniphof. Door zeeroverij moest deze vloot aan geld komen om Søren Norby in staat te stellen om een leger te onderhouden op Gotland dat Denemarken vanuit het Oosten kon aanvallen. Dat had enig succes, want het lukt Norby om Skåne (Zuid-Zweden) voor Christian te winnen, door de boeren op te stoken. Maar 7 oktober 1525 werd Kniphof gevangen genomen door een Hamburgse vloot en terechtgesteld. En ongeveer op hetzelfde moment leed Norby een beslissende nederlaag: ook dit plan was op niets uitgelopen.

 

Ondertussen had het bestuur van Brabant (Margaretha van Oostenrijk) onderdak aangeboden aan Christian en zijn vrouw Elisabeth. Geen Stadspaleis in het centrum van de macht, in Mechelen, maar een (zeker voor een koning) bescheiden onderkomen in Lier, naast de St. Gummaruskerk, bijna 20 kilometer bij Margaretha vandaan. De kinderen van Christian en Elisabeth bleven echter achter in Mechelen, bij landvoogdes Margaretha.

 

Huis van Christian in Lier

 

De plek waar Christian en Elisabeth woonden in Lier.

Deense straat in Lier

 

De straat waar zij woonden heet nu Deense straat.

 

Christian bracht hier zijn tijd door en probeerde met diplomatie en met het schrijven van stukken in zijn verdediging het tij te keren. Vanwege zijn rode baard en karakteristieke rode mantel werd hij door de lokale bevolking De rode koning genoemd. In 1525 deed Christian mee met de schuttersfeesten, en kwam als beste schutter uit de bus, omdat hij het doel (in de vorm van een vogel) van een paal af wist te schieten. Hij werd toen toch nog tot koning uitgeroepen – de schutterskoning.

 

In de eerste maand van 1526 sloeg het noodlot weer toe voor Christian: koningin Elisabeth werd onwel en stierf na een kort ziekbed op kasteel Zwijnaarde. Christian was bereid om de Nederlanden te verlaten en met zijn kinderen in Sachsen te gaan wonen, in de buurt van zijn familie in Wittenberg, maar zijn Habsburgse schoonfamilie verbood dat: de kinderen moesten aan het Mechelse hof worden opgevoed, in de goede Roomse traditie.

 

In de jaren daarna bleef Christian reizen maken en vanuit Lier pogingen ondernemen om steun te verwerven voor zijn zaak. Een paar maal probeerde hij schepen uit te rusten voor een expeditie richting Scandinavië, maar deze pogingen werden verijdeld. In 1529 poogde hij in Oostfriesland een leger samen te stellen voor een tweede militaire expeditie richting Denemarken.

 

In 1530 deed zijn schoonfamilie Christian een aanbod: als hij nu het Lutherse geloof zou afzweren, en zich daarna binnen een half jaar als boeteling bij de paus in Rome zou melden, en als die hem zou vergeven, dan zouden de keizer en de landvoogdes alles in het werk stellen om hem weer op de Deense troon te helpen. Christian accepteerde het aanbod grotendeels maar wilde onderhandelen over de details. Dat was voldoende voor de keizer om op een warmere manier met Christian om te gaan en in september 1530 leek alles er op dat Christian snel op expeditie zou gaan om zijn kroon terug te veroveren.

 

Maar toen stierf Margaretha van Oostenrijk, en keizer Karel V reisde daarvoor in januari 1531 naar de Nederlanden. In april 1531 vergaderden de Staten-Generaal in Gent, en de steden en gewesten deden er veel aan om de dure expeditie van Christian niet te hoeven financieren.

 

De landsadvocaat doet trouwens ook nog een interessante mededeling: op 25 mei 1531 had hij in Gent Zyburch, boelscappe van den Coninck van Denemarken, by der hant. Ofwel hij had Sigbrit, de vriendin (maar het woord kan ook “hoer” betekenen) van de koning van Denemarken, “ontmoet”. Waarschijnlijk was zij gevonden en gearresteerd.

 

Vergadering na vergadering werd gewijd aan de financiering van de expeditie naar Denemarken, tot Christian iets onverwachts deed: hij viel Holland aan! Christian was het zat om te bedelen om geld voor schepen om een leger naar Denemarken te vervoeren, om te proberen zijn kroon terug te veroveren. Op 31 augustus 1531 ontving de stad Hoorn zelfs een keizerlijk bevel om Christian geen schepen te geven of anderszins te helpen. En dus moet Christian tot een wanhoopsdaad hebben besloten: hij gebruikte het leger dat hij verzameld had om Holland binnen te vallen en de schepen en andere zaken die hij nodig had dan maar kwaadschiks op te eisen.

 

Christian wist vanuit zijn tijdelijke onderkomen in Oostfriesland de steun te krijgen van de aartsbisschop van Trondheim en de bisschoppen van Hamar en Oslo, zij stuurden hem zilver in ruil voor toezeggingen over land dat zij in leen zullen krijgen, als de expeditie succesvol zal zijn. Zodoende kon hij een leger van 5000 man op de been brengen, en reisde door Bentheim en Münsterland, en trekt dan Overijssel binnen.

 

Maar naast militaire dreiging was er een nog veel grotere dreiging voor de keizer, de verdediger van het Rooms katholieke geloof: er zaten veel protestatnten in het gevolg van koning Christian, die hun ideeën aan het verspreiden waren. Gedurende het verblijf van Christian in 1531 te Amsterdam, jonker Hendrik "van Antwerpen", een van Christians hovelingen, ondergebracht in de gastenkamers van het Sint Margarethaklooster van de zuster van de Gansoirde, waar hij de leer van Luther begon te prediken en het cloester meest geinfecteert achterliet, met andere woorden: de zusters waren "besmet" met zijn denkbeelden. Overigens is Hendrik van Antwerpen daarna opgepakt en gemarteld/ondervraagd over Sigbrit, omdat men hoopte via hem aan belastende informatie over haar te kunnen komen.

 

Christians veldtocht in de Nederlanden was nog succesvoller dan hij had durven hopen. Binnen korte tijd groeide zijn leger van 5.000 tot 20.000 man. Via Gelderland, het Nedersticht, Culemborg en Vianen koerste hij op Holland aan, waar hij zonder noemenswaardige weerstand kon optrekken tot aan Delft. Terwijl Christian overnachtte in Rijswijk, vielen zijn troepen den Haag aan, en allen vluchtten naar naburige steden, terwijl het bestuur in den Haag een goed heenkomen zocht in Haarlem en Amsterdam.

 

Christiaan trok snel naar het noorden: binnen een week, op 19 september 1531 was hij in Alkmaar, die stad had hij ingenomen met maar 3.000 manschappen, terwijl nog eens 7.000 manschappen in Waterland huishielden. Op 2 oktober 1531 verscheen hij opnieuw in Alkmaar, maar nam zijn intrek even buiten de stad, in Oudorp. De Alkmaarders richten zich tot de keizer: Dat hier en boven, in de maent van october in ’t jaer van 31 lestleden belieft gehadt heeft den coninck van Denemarken, mit hem hebbende een getal van drieduisent knechten en meer, te comen binnen de stede van Alkmaer, aldaer hij hem onthouden heeft, soe voor, soe nae, den tijd van onmtrent vijf daghen, levende mit Uwer Genaede ondersaeten soe oneerlijcken van spijs en drank, en andere alderlye behoeften, die sij van Uwer Genaede ondersaeten hebben wilden; bedragende bij inestimacie over die ses duysent Carolus guldens. Dat hier en boven zij van uitvluchten te oncosten gehadt hebben over die vijftien hondert Carolus guldens, ende hoer luyden excijnsen over die twaelf hondert Carolus guldens: want meeste die Poorters gevlucht waren, en hebben als noch een grooten deel wederomme in de voorsz. stede te commen. Met andere woorden: de Alkmaarders werden gedwongen Christian en zijn manschappen te onderhouden en kwamen zo voor hoge kosten te staan.

 

Eindelijk was keizer Karel V bereid om serieus met Christian te onderhandelen. Op 15 oktober 1531 werden de besprekingen gehouden te Amsterdam. Christiaan bleek bereid om weg te gaan uit de Nederlanden, als de resterende 50.000 guldens van zijn bruidsschat werden uitbetaald, en als hij 12 goed uitgeruste en bevoorrade oorlogsschepen zou meekrijgen. Deze eisen werden ingewilligd en Christian vertrok naar Medemblik, waar hij op 26 oktober 1531 de Nederlanden verliet.

 

Velius schrijft in zijn kroniek over Hoorn over de brief van Karel V, van 31 augustus 1531, dat Christian niet geholpen mocht worden. Maar ook schrijft hij dat weldra de zaken anders lagen: heel de herfst van 1531 werd er in de watersteden aan de Hollandse Zuiderzeekust getimmerd dat het een lust was, om Christian van een oorlogsvloot te voorzien, op kosten van de steden. De meesten van Christians troepen lagen aan de andere kant van de Zuiderzee, bij het Zwarte Water, bij Kampen in Overijssel. Velius schrijft eufemistisch over het gedrag van de soldaten: [zij] deden gelijck veel des krijghsvolck ghebruyck is: bysonder als sy een sober Meester dienen, die gheen betalinghe gheeft. Dus de soldaten van Christian plunderden en vielen de bevolking lastig, want dat doen soldaten nu eenmaal, als hun heer weinig geld heeft.

 

Maar in oktober was het eindelijk voorbij, de bestuurders van Hoorn ontvangen een brief waarin stond: [den] Coningklijcke Majesteyt van Denemarcken met synen hoop Knechten, tegenwoordelijcken treckt nae Medemblick toe, der meyninge daar omtrent te Scheep te gane. Soo dan den selven hoop seer groot is, soo begeeren wy van wege de K. Majesteyt onser aller genadighsten Heeren, dat ghy by dage en nachte goede wacht en opsicht binnen de Stadt Hoorn wilt hebben en doen draghen. Oock niemand vande Knechten wie hy zy binnen de Stadt te laten (Amsterdam, 15 oktober 1531). Dus de koning van Denemarken trekt met zijn volk naar Medemblik om daar scheep te gaan. De keizer beveelt de burgemeester van Hoorn daarom om de wacht te verscherpen in de stad, dag en nacht, en niemand van de mannen van Christian binnen de stad te laten komen.

 

Het was toeval dat in 1531 Pieter Dircksz., de goudsmid, een van de burgemeesters van Hoorn was. Pieter en zijn broer hadden een zegelring en enkele andere sieraden voor koning Christian gemaakt, en Pieter had op schriftelijk verzoek van de koning er voor gezorgd dat in 1519-1520 een aantal gezinnen naar Denemarken emigreerden om daar het hof te voorzien van boter, kaas en groenten van de kwaliteit zoals men die in de Nederlanden gewend was.

 

Toen het leger van Christian wilde uitvaren werd het zeer onstuimig weer, en de soldaten hadden honger en dreigden aan land te gaan om te komen stelen en plunderen wat zij nodig hadden. Gewaarschuwd door de slotvoogd van Medemblik waren alle steden en dorpen op hun hoede, maar voordat de situatie uit de hand kon lopen ging de storm liggen en konden de schepen uitvaren.

 

Omdat men langs de Noord-Hollandse kust 12 schepen had gebouwd voor Christian, en zijn troepen aan het Zwarte Water zelf ook al schepen “gevonden” hadden, zal de vloot van Christian zo’n 30 schepen hebben geteld. Misschien had hij de rijke kooplieden in Amsterdam, Kampen en Enkhuizen goede verdiensten in het vooruitzicht gesteld, als hij zijn land terug had veroverd. In ieder geval heeft hij voor zijn vertrek een akte opgesteld waarin hij de Nederlanders vrije handel op Scandinavië gaf, en nog wat extra voordelen gaf aan de stad Amsterdam.

 

De Koning in het Noorden kon eindelijk terug naar huis om zijn troon op te eisen.

 

Terug naar boven

 

 

"Hollandse"boeren in Denemarken

 

Boer uit de Nederlanden

 

Afbeelding uit de 18e eeuw: Nederlandse boer met karakteristiek hoofddeksel ("floshat").

 

Migratie naar Amager bij Kopenhagen

 

Er wordt verteld dat koningin Elisabeth van Denemarken de groenten miste die zij aan het hof in Mechelen gewend was. De kwaliteit van de groenten (wortelen, uien, kool) was in de Nederlanden was namelijk veel beter dan in Denemarken. Vermoedelijk waren Sigbrit en Duveke het ook eens daarmee.

 

We weten zeker dat koning Christian een deel van het eiland Amager, bij Kopenhagen, heeft laten ontruimen en boeren uit de Nederlanden het vrijgekomen land heeft laten bewerken, zodat zij hun producten (groenten, kaas, boter) aan het hof en de rest van Kopenhagen konden leveren. De trek van boeren uit de Nederlanden naar Denemarken heeft een aantal jaren geduurd, tussen 1515 (het jaar waarin Elisabeth naar Denemarken kwam) tot 1521 (het jaar waarin Christian speciale privileges gunde aan de boeren uit de Nederlanden).

 

Hoe de emigratie precies in zijn werk ging weten wij niet, we hebben slechts een paar flarden informatie. De Deense kroniekschrijver Arild Huitfeld schrijft in zijn Danmarks Riges Krønike (Kroniek van het Deense Rijk) dat koning Christian II onderhandelingen voeren in Waterland in Holland, dat er Hollanders naar Denemarken moesten komen, en in 1516 kwamen er een aantal, die hij een stad gaf op Amager om in te wonen, die Hollænderby (stad van de Hollanders) wordt genoemd, en de koningin heeft veel daaraan bijgedragen. Dat volk weet als geen ander hoe je boter en kaas moest maken, wortelen en uien moest verbouwen, groentetuinen moet aanleggen en wilde ganzen moet vangen. Zij waren een aanwinst voor de stad Kopenhagen.

 

Over Waterland (het gebied rondom Purmerend) hebben we het later. Om het uitspraken van Huitfeld goed te begrijpen is het nodig om te weten dat de Denen iedereen die uit de Nederlanden kwam, een “Hollander” noemen. Ook nu nog zegt men daar “Holland”, als men het over het land “Nederland” heeft. Men mag dus niet concluderen dat de boeren uit de huidige provincies Noord- en Zuid Holland kwamen. Het kon net zo goed uit Groningen, Luik of Brussel zijn.

 

In het archief van Haarlem wordt een kroniekboekje bewaard, dat een latere kopie is van een vroeg-16e eeuwse tekst. Daarin staat dat “in het jaar 1519 vele boeren uit het rechtsgebied van de stad Hoorn en ook enige burgers zijn vertrokken naar Denemarken om daar te gaan wonen. Dit kwam door bemiddeling van Meester Pieter (Dirksz.), goudsmid, burger van Hoorn, aan wie de koning van Denemarken, Cristiernus, geschreven had hem mensen uit dit land te zenden, die hij begiftigen wilde met geld, goederen en landerijen, zoals ook gebeurd is, aangezien hij onlangs de zuster van onze koning Karel tot vrouw had genomen.”

 

 

Stuk uit de kroniek waarin verteld wordt over de goudsmid van Hoorn.

 

Kennelijk had de goudsmid uit Hoorn het goed gedaan, want “in het jaar 1520 zond de koning van Denemarken wederom een brief aan Meester Pieter Goudsmid in Hoorn betreffende een aantal mensen uit Holland. En er zijn meer dan honderd mannen vertrokken met hun vrouwen en kinderen zowel uit de stad Hoorn als uit haar rechtsgebied.”

 

Verder hebben wij het Register van Amack (Amager), een bevolkingsregister waarin alle gezinshoofden genoemd worden die in de dorpen op Amager wonen, die door de mensen uit de Nederlanden zijn ingenomen. Het register moet rond 1521 gemaakt zijn en telt 164 namen. Taalkundige analyse van de namen op die lijst leert dat veel namen typisch (West-)Fries zijn, maar dat er ook meer algemene namen op voorkomen die in heel Nederland en Vlaanderen voorkomen.

 

Op Grote Mackelbw (Store Magleby) woonden bijvoorbeeld gezinshoofden met namen als Lwcas Janss (Lucas Jansz.), Cornelis Wytss (Cornelis Wietses), Gherreyt Class (Gerrit Claasz.) en Folkart Martss (Folkert Martens). De Hoornse kroniek claimt dat 100 gezinnen uit Hoorn en omstreken naar Nederland zijn getrokken. En dan moet men bedenken dat een “gezin” in die tijd niet alleen de boer en zijn vrouw en hun kinderen omvatte, maar ook meiden, knechten, en soms ook de ouders van de boer of zijn vrouw.

 

 

Stuk uit het register van Amack, lijst van inwoners van Grote Mackelbw.

 

Huitfeld sprak over Waterland (het gebied rondom Purmerend) als regio van herkomst van de eerste boeren. Vóór emigratie uit Westfriesland / Waterland spreekt dat deze gebieden kort voor 1519 geteisterd waren door dijkdoorbraken en aanvallen van de Geldersen en de troepen van Grutte Pier, de Fries met het machtige zwaard. Men had in dat gebied al belastingvermindering gekregen van de landsheer omdat het economisch zo slecht ging. Alle redenen voor jonge ambitieuze gezinnen om het onder gunstige voorwaarden in een ander land te gaan proberen dus.

 

In 2013 publiceerden Lis Thavlov en Willy van Hoof een studie waarin zij argumenteren dat in de vroege 16e eeuw de tuinbouw in de Zuidelijke Nederlanden verder ontwikkeld was dan in de het Noorden. En dat het land tussen Purmerend en Hoorn, door recente dijkdoorbraken, te zout was geworden om landbouw van enige kwaliteit te bedrijven. Het is ook bekend dat er tuinders in het gevolg zaten die vanuit Mechelen met koningin Elisabeth naar Denemarken getrokken zijn, in 1515. Zij stellen daarom dat de tuinders uit het Waverland rondom Mechelen gekomen zijn, en dat het werk uitgevoerd werd door lager geschoolde mensen, die uit de hele Nederlanden gekomen kunnen zijn.

 

Wij hebben in de archieven geen nadere aanwijzingen kunnen vinden, dus wij kunnen hun stelling niet uitsluiten, maar ook niet bevestigen.

De kerk van Store Magleby

 

Kerk van Store Magleby

 

Kerk van Store Magleby.

Kerk van Oterleek

 

Kerk van Oterleek (1744).

Kerk van Tømmerup

 

Kerk van Tømmerup als voorbeeld van een typisch Deense kerk.

 

De oorspronkelijke kerk van Store Magleby dateert van rondom de 13e eeuw. Koning Christian II heeft de kerk geschonken aan de mensen uit de Nederlanden die er rondom 1521 naartoe getrokken zijn, en in 1611 werd deze kerk ingrijpend gerestaureerd en verbouwd, naar Noord-Hollands model. In 1731 volgde er nog een verbouwing, waarbij de kerk haar huidige vorm heeft gekregen. Zoals hierboven te zien is lijkt de kerk van Store Magleby niet meer op de typisch Deense kerken, maar meer op een Nederlandse (Noord-Hollandse) kerk, zoals de (nu afgebroken) kerk van Oterleek bij Alkmaar. Er wordt rondom Alkmaar verteld dat de Deense kerk door bouwlieden uit Oterleek is verbouwd, maar dat blijkt niet uit de beschikbare bronnen.

 

Natuurlijk preekte men aanvankelijk in het Diets, de laat-middeleeuwse spreektaal in de Nederlanden. Toen Denemarken overging naar het Lutheranisme, en koning Christian III (niet II) in 1547 eiste dat de boeren uit de Nederlanden dat ook zouden doen, ontstond er een klein probleem: de Nederlanden waren nog stevig onder Habsburgs bestuur en Rooms katholiek. En ook na de reformatie was het onmogelijk, omdat de Noordelijke Nederlanden Calvinistisch geworden waren. Lutherse predikanten waren er alleen in de delen van Duitsland die met de reformatie van Luther waren meegegaan. Nu leek het Nederlands en het Duits van 500 jaar geleden veel meer op elkaar dan nu, en het Noordduitse dialect (Platduits) was goed te verstaan voor Nederlanders. En dat werd er vanaf toen gepreekt in de kerk van Store Magleby. Natuurlijk stond de Nederlandse taal onder invloed van hun omgeving: er ontwikkelde zich een Nederlands dat doorspekt was van Deense en Duitse uitdrukkingen. Vanaf 1735 werd er afwisselend in het Deens en in het Nederlands gepreekt en gezongen, en vanaf 1811 uitsluitend in het Deens. Predikant F.C. Schmitto is de laatste predikant geweest die in het Nederlands preekte in de kerk van Store Magleby, zoals de gedenksteen die hier is afgebeeld vertelt.

 

Gedenksteen voor F.C. Schmitto bij de kerk van Store Magleby

 

Gedenksteen voor F.C. Schmitto bij de kerk van Store Magleby.

 

De privileges

 

In 1521 gaf koning Christian privileges aan de boeren uit de Nederlanden, opgesteld in het Nederlands. Die privileges waren bedoeld voor de boeren die naar Amager gekomen waren, en die nog onderweg waren, 184 gezinnen in totaal. Zij kregen van Christian en Elisabeth een stuk land in vol eigendom, zij konden het dus verkopen of erven, bijvoorbeeld. Het gebied zou bestuurd worden volgens het recht dat in de Nederlanden gold. Dat betekende dat er een schout aan het hoofd stond, geholpen door schepenen, en ook de rechtspraak zou naar de gewoonten van de Nederlanden ingericht worden. Verder mochten zij vrij de meeste vogels en vis vangen, dat was normaal een recht van de koning. De enige plicht die zij hadden, was dat zij belasting (tienden) moesten betalen aan de kroon.

 

Vooral de palingvisserij bleek winstgevend: het was dan ook geen verrassing dat de boeren uit de Nederlanden economisch succesvoller waren dan de Deense boeren.

 

Een belangrijk verschil tussen het erfrecht in Denemarken en de Nederlanden was dat in de Nederlanden zonen en dochter een gelijk deel erfden van hun ouders. In Denemarken erfden zonen dubbel zo veel als dochters.

 

Omdat er helemaal niets over groenten gezegd wordt in de akte van 1521, zijn er historici die denken dat het verbouwen van groenten helemaal niet de hoofdreden was dat Christian de boeren naar Denemarken haalde. Hij wilde de Deense samenleving hervormen naar voorbeeld van de Nederlanden, en schiep daarom een ideale samenleving op Amager die een voorbeeld kon zijn voor de mensen in Kopenhagen. Ook hoopte hij dat deze boeren goede kooplieden zouden zijn, die met hem een tegenwicht aan de adel konden bieden. Er zijn geen bewijzen vóór of tegen deze uitleg te vinden.

 

 

Het begin van de privilegebrief van koning Christian II aan de "Hollandse" boeren.

 

Omdat de boeren een contract met de koning hadden, brak er nog geen 2 jaar later, in 1523, een onzekere tijd aan, toen koning Christian II het land moest ontvluchten. Hoe zou de nieuwe koning vinden van de gunstige voorwaarden die zij hadden? Zoals te verwachten was, was de opvolger van Christian, Frederik I, geen groot fan van de Nederlanden en hun inwoners. De Rijksraad en hij wilden het privilege opheffen, maar dat is niet gebeurd. De opvolger van Frederik, Christian III, heeft in 1547 de privilegebrief vernieuwd. Daarin hielden de boeren uit de Nederlanden dezelfde gunstige voorwaarden, en wordt verteld wat de tegenprestatie daarvoor moet zijn: de jaarlijkse betaling van 300 Deense mark en het leveren van voldoende uien en wortelen voor het kasteel in Kopenhagen.

 

En, niet onbelangrijk: koning Christian III eiste dat ook de boeren uit de Nederlanden zouden overgaan tot het Lutherse geloof, net als de rest van zijn onderdanen. Dat hebben zij inderdaad gedaan.

 

De privileges werden in latere tijd nog een aantal maal bevestigd, en ook wat ingeperkt. Maar de “Hollanders” (zoals de Denen de boeren uit de Nederlanden onterecht noemden), leefden ook toen nog veel betere omstandigheden dan de Deense boeren.

 

De Deense wetgeving bleef zich ontwikkelen, terwijl de boeren op Amager met de wetgeving uit de Nederlanden zaten zoals die in 1521 was. Na verloop van tijd werd die als ouderwets gezien, en een eeuw later, in 1615, verzochten schout en schepenen van Amager de koning of zij hun wetgeving niet konden moderniseren volgens Deens model (de wetgeving zoals die op Jutland gold). Dat werd toegestaan, en bij een grote wetshervorming in Denemarken in 1683 ging men over naar dit nieuwe Deense model. Met uitzondering van het erfrecht: ze behielden het systeem dat zonen en dochter een gelijk erfdeel kregen.

 

De rechtspraak met schout en schepenen bleef drie eeuwen intact – tot 1817, toen ging het gerecht van het nabijgelegen Tårnby deze functie overnemen. Pas in 1857 werd Hollænderbyen (de stad van de Hollanders, zoals Store Magleby al gauw genoemd werd) volledig over op het Deense systeem en was het afgelopen met de bijzondere rechtspositie van de “Hollanders”.

 

Vijf eeuwen “Hollanders” op Amager

 

Zoals gezegd lukte het de “Hollanders” in Store Magleby eeuwenlang om een eigen identiteit te bewaren als enclave van rijke boeren binnen Denemarken. Zij waren gemakkelijk te herkennen aan hun opvallende klederdracht en hun afwijkende taal. En bij nadere beschouwing waren er nog meer belangrijke verschillen, zoals het afwijkende erfrecht, systeem van bestuur en rechtspraak, en de privileges, de voordelen die zij van de koning hadden gekregen, die gewone Denen niet hadden. Als een “Hollander” al met een Deense trouwde, zal zij geassimileerd zijn in de “Nederlandse” cultuur van het stadje. En nu nog kom je in Store Magleby veel mensen tegen die Nederlands klinkende namen hebben als Dierck (Dirk), Theis (Thijs), Marchen (Maartje), Agth Gjertsen (Aagtje Gerritsen), en Neel Zibrandtsen.

 

Grafsteen Agth Gjertsen

 

Aagt Gerritsen

Grafsteen Marchen Dircksen

 

Maartje Dirksen

Grafsteen Trein Jansen

 

Trijn Jansen

Grafsteen Crilles Hendriksen

 

Krelis Hendriksen

 

In de 16e en 17e eeuw waren de “Hollanders” graag geziene gasten op de markt in Kopenhagen, waar zij hun kaas, boter en groenten aan de man hebben gebracht. Hun klederdracht was ook een geweldig herkenningsteken: “hier is Nederlandse waar te koop!”. De muts die de getrouwde mannen droegen was heel opvallend, gemaakt van een stof die allemaal draadjes aan de buitenkant had, waardoor het op een bontmuts leek. De Denen noemen deze muts een “floshat”, het is ons niet gelukt om de herkomst van deze muts te achterhalen.

 

De immigranten namen ook hun eigen tradities mee naar Denemarken. Het katknuppelen tijdens carnaval bijvoorbeeld. Dat wordt in Noord-Holland nog steeds gedaan: om beurten slaat men op een ton, en degene die de ton stuk slaat (en de kat die er in zit laat ontsnappen) is de winnaar. Vroeger zat er een echte kat in de ton, tegenwoordig natuurlijk niet meer. En het ringsteken.

 

Hollandse klederdracht

 

"Hollanders" in klederdracht in Store Magleby. Let op de "floshat" die de getrouwde mannen dragen.

 

Er wordt nog jaarlijks in Store Magleby een festival gehouden waarop de lokale bevolking zich in klederdracht steekt en deze spelen demonstreert. De ambassadeur van Nederland in Denemarken is beschermheer van het festival en mag zich in het kostuum van Christian II vertonen tijdens de festiviteiten. Het lokale museum houdt de herinnering aan het “Hollandse” verleden van het stadje levend.

 

De “grote jubilea” van de privilegebrief uit 1521 worden groots gevierd. Bij het 450-jarig jubileum in 1971 waren prinses Beatrix en prins Claus aanwezig, ook bij het 500-jarig jubileum in 2021 ligt het voor de hand dat er hoog bezoek aanwezig is.

 

Sprogø

 

Kaart Denemarken

 

"Kaart rond 1650 door de Nederlander Janssonius. Sprogø ligt in het midden van de afbeelding, binnen de rode rechthoek.

 

Er zijn ook andere Deense eilanden geweest waar mensen uit de Nederlanden zich hebben gevestigd. Het eiland Sprogø bijvoorbeeld. Tegenwoordig kennen wij het als een klein eilandje waar je een paar seconden overheen reist als je de brug van Fyn (Funen) naar Sjælland (Zeeland) neemt.

 

Zo kreeg de “Hollander” Niels Boesen in 1569 van koning Frederik II het recht om zich op dat eiland te vestigen. In 1589 verblijft Samuel Kiechel, een Duitser, een halve dag op het eiland, die daar hartelijk wordt ontvangen door de twee Nederlandse boerenfamilies die er wonen. Hij schrijft dat hun boter en kaas net zo goed smaakt en er zo mooi uit ziet als in de Nederlanden. En dat hun huizen er onberispelijk uit zien en zeer schoon zijn. Een bekende Deense kroniekschrijver, Arild Huitfeld, schrijft trouwens dat Sprogø al eerder bewoond was geweest door “Hollanders”: Christian II zou ze rond 1521 het eiland hebben gegeven, misschien om producten te leveren aan het nabijgelegen kasteel Nyborg, net zoals de boeren op Amager producten leverden aan het kasteel in Kopenhagen. Er is verder niets te vinden in de archieven over deze eerste bewoners uit de Nederlanden op Sprogø, en er zijn ook geen archeologische vondsten gedaan die met hen in verband gebracht kunnen worden. Huitfeld vertelt nog dat deze eerste bewoners naar Bøtø zijn verhuisd.

 

Tussen 1690 en 1694 verdween de laatste Nederlander, Oluf Knudsen, van het eiland Sprogø, na 120 jaar onafgebroken bewoning door Nederlanders. Hij vertrok met zijn gezin naar het eiland Bøtø, helemaal in het Zuid-Oosten van Denemarken.

 

Bøtø

 

Kaart Falster

 

"Kaart rond 1650 door de Nederlander Janssonius. Bøtø ligt rechtsonder in de afbeelding, binnen de rode rechthoek.

 

Bøtø was een eiland dat ten oosten van het eiland Falster lag, helelmaal in de Zuid-Oostpunt van Denemarken. Tussen Falster en Bøtø lag een ondiep stuk zee. Door aanslibbing is Bøtø met de Noordpunt en Zuidpunt aan Falster vast komen te zitten, en de ondiepe zee tussen de twee eilanden werd een meer. In de loop van de 19e eeuw zijn er dijken aangelegd en is het meer een polder geworden, zodat er tegenwoordig nog maar één eiland is: Falster.

 

Volgen kroniekschrijver Arild Huitfeld zijn er in de periode 1515-1521 “Hollanders” naar Sprogø gehaald, en al na enkele jaren zijn 13 boerenfamilies van daar naar Bøtø verhuisd. Het kan zijn dat hen gevraagd is om boter, kaas en groenten te produceren voor het kasteel in het nabijgelegen Nykøbing Falster. Deze boeren worden genoemd in een akte van koning Christian III in 1552 en een van koning Frederik II in 1575. Er woonden in 1575 elf Hollandse families op Bøtø. En ook zij kregen privileges, zoals het recht om vis te vangen.

 

Tot in de eerste helft van de 18e eeuw heeft er nog een groep “Hollanders” bestaan op Bøtø, die van de Denen te onderscheiden was. Daarna zijn ze opgegaan in de Deense cultuur. Ze raakten volledig “ingeburgerd”, zouden wij nu zeggen.

 

Terug naar boven

 

Hoe liep het af met Sigbrit?

 

Hoe het met Sigbrit afliep is niet met zekerheid te zeggen. Wel zijn er een paar aantekeningen over haar in de archieven te vinden. Zo is het zeker dat zij in het gevolg zat dat met Christian en Elisabeth mee uit Denemarken vluchtte in 1523. De overlevering vertelt dat zij inmiddels zó gehaat was in Kopenhagen dat zij verstopt in een kist of een ton aan boord gesmokkeld moest worden.

 

Vlucht naar de Nederlanden

 

Christian II verlaat Kopenhagen op zijn vlucht naar de

Nederlanden (1523). Schilderij van Hans Nicolaj Hansen

(1853-1923), te zien op kasteel Sønderborg.

 

Sigbrit is meegevaren en dus ook aan land gegaan in Veere. Of zij met het koninklijk gezelschap is meegereisd naar Mechelen is niet zeker maar wel waarschijnlijk: Christian werd immers gevolgd door een hele stoet vertrouwelingen.

 

Christian had zijn schoonfamilie geschoffeerd toen hij trouwde met Elisabeth, de zus van (de latere) keizer Karel V: hij had er namelijk een minnares op na gehouden. Nu was dat nog wel geaccepteerd in die dagen, dat de koning er een dame “voor erbij” had, maar die waren dan wel van adel en hun ontmoetingen waren dan discreet. Maar Duveke was een volks meisje, zelfs niet van lage adel dus, en liep openlijk rond in het kasteel, met haar moeder.

 

Zelfs nadat het hof van de keizerlijke familie in Mechelen er verschillende keren om vroeg, weigerde Christian (weliswaar een koning, maar minder chic dan de keizer) zijn relatie met Duveke te verbreken. En zelfs al was Duveke alweer jaren geleden gestorven, het Habsburgse hof was dat niet vergeten en alleen al daarom zal Sigbrit niet welkom zijn geweest bij Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes van de Nederlanden.

 

Daarnaast was Sigbrit ook politiek een vervelende factor voor de Habsburgers geworden. Zij heeft (via Christian) veel invloed kunnen uitoefenen, ze was een soort minister van financiën geworden in Denemarken. Sigbrit heeft daarmee Christians politiek van het tegenwerken van de Hanze uitgevoerd, en omdat de Hanze overwegend Duits (Lübecks) was, werd dit ook als tegenwerking van het keizerrijk en dus de Habsburgers ervaren.

 

Sigbrit ging namens Christian ook over de Sonttol, de tol die kooplieden moesten betalen als hun schip bij Helsingør door de Sont voeren, op weg naar de Oostzee en de rijkdommen van de Baltische staten en Rusland. Als keizerlijke familie waren de Habsburgers de gekozen vertegenwoordigers van de Duitse koninkrijken (en dus ook belangenbehartigers van de Hanze), maar de Sonttol raakte de handel in de Nederlanden op een directe manier. En de Nederlanden waren het bezit van de Habsburgers, zij haalden een belangrijk deel van hun inkomen uit het goed draaien van die economie. Sigbrit raakte hen dus direct in de portemonnee. Dus nee, zij was helemaal niet welkom aan het hof in Mechelen en het is heel waarschijnlijk dat zij zich gedeisd heeft gehouden in Mechelen, of zich helemaal niet in de stad heeft vertoond.

Hof van Mechelen

 

Het paleis van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen.

 

 

Sigbrit werd door de landvoogdes, Margaretha van Oostenrijk, verbannen en raakte dus “zoek” in 1523. Ze was letterlijk “zoek”, want men kon haar niet vinden, maar dat betekent dus ook dat zij nauwelijks sporen heeft achtergelaten in de archieven. Het hof in Mechelen liet naar haar zoeken in de Nederlanden. Ook de keurvorst van Brandenburg heeft naspeuring laten doen: in 1523 schreef hij een brief aan de hertog van Gelre, waarin hij vraagt om de uitlevering van Sigbrit, die zich ergens in Gelre in een klooster zou schuilhouden.

 

Sigbrit wist natuurlijk veel, en zou een goede bron van informatie voor de Habsburgers kunnen zijn. Ook was er een vermoeden dat Christian rijker was dan hij beweerde, en dat Sigbrit wist waar Christians schatten verborgen lagen.

 

Vlucht naar de Nederlanden

 

Detail (een groentenkoopvrouw) van De Nieuwmarkt in

Amsterdam, schilderij van Bartholomeus van der Helst

(1613-1670). Zo stel ik mij Sigbrit voor.

 

In januari schrijft Christian een brief aan Herman Willemsz., de broer van Sigbrit en (samen met de bankier Pompeius Occo) zijn zaakbehartiger in de Nederlander. Daarin zegt hij: “Up den anderen artykell, Sybrecht belangende, geven Ire Kon. W. [Christiaan II] ter antwort, dat se sich alsnu een jaer verleden voer die durchluchtichste hoechgebaerne furstynne vrouw Margriete, Ertzhertzoichgynne etc. gedachter Sybrecht gans und all ontslaegen hebben und hebben sich hoerre bysheer nyet aengenomen, noch oich en willen, anders dan Ire Kon. W. nu kortlich dem ersamen Pompeius Occo bevaelen hebben.” Met andere woorden: de koning schrijft aan Herman, de broer van Sigbrit, dat hij Sigbrit heeft moeten ontslaan van aartshertogin Margaretha, de landvoogdes, en haar niet meer in dienst wil of zal nemen. Anders dan wat Christiaan laatst aan Occo bevolen heeft. Dit laatste moet bijna wel betekenen, dat Sigbrit geld kreeg van Christian, en dat de betaling via Pompeius Occo liep.

 

Het is dus niet bekend of Christian en Sigbrit elkaar nog ontmoet hebben na de vlucht uit Denemarken in 1523, maar deze brief maakt het waarschijnlijk dat Sigbrit zeker nog tot 1525 met de koning in verbinding heeft gestaan, en geld van hem ontvangen heeft.

 

Sigbrit met wortel en wetsrol

 

Sigbrit met wetsrol (symbool van macht) en wortel (symbool van hekserij), onderdeel van Dronningens gobeliner, te zien op kasteel Christiansborg.

 

Op 25 mei 1531 schrijft de landsadvocaat Aert van de Goes dat hij in Gent "Zyburch, boelscappe van den Coninck van Denemarken, by der hant had". Ofwel hij had Sigbrit, de vriendin (maar het woord “boelscap” kan ook “hoer” betekenen) van de koning van Denemarken, “ontmoet”. Waarschijnlijk was zij gevonden en gearresteerd.

 

In een instructie van keizer Karel V uit 1532 is er sprake van een oude vrouw die in Vilvoorde gevangen zit. Haar naam wordt niet genoemd, maar ze wordt op zo’n manier omschreven, dat veel historici menen dat Sigbrit die oude vrouw was. Jonker Hendrik van Antwerpen was gevangen genomen te Amsterdam. De instructie zegt dat hij gemarteld moet worden, omdat men zo bewijs hoopte te krijgen tegen "la vieille à Vilvorde" (de oude vrouw in Vilvoorde), "ce qui serait une belle décharge" (wat een mooie uitkomst zou zijn). De keizer deed pogingen om Sigbrit veroordeeld te krijgen als ketter of heks. Het is onbekend of zij inderdaad veroordeeld is, maar het hof zal waarschijnlijk wel een manier gevonden hebben om Sigbrit op de brandstapel te laten eindigen.

 

 

Terug naar boven

 

 

Hoe liep het af met de Koning in het Noorden?

 

Medemblik 16e eeuw

 

Medemblik in 1588 (tijdens het beleg). Uit de collectie tekeningen van het Rijksmuseum.

 

Na een verblijf van ongeveer 8 jaar in de Nederlanden, was het koning Christian gelukt om gedaan te krijgen dat hij een vloot van 25-30 schepen en ongeveer 10.000 manschappen ter beschikking had, en op 24 oktober 1531 voer zijn vloot de haven van Medemblik uit, een paar dagen verlaat door een storm.

 

De vloot zette koers naar Noorwegen en had veel last van de volgende storm die was opgestoken. Zij verloren enkele schepen en de vloot werd uiteen geslagen. Uiteindelijk bereikte hij met 4-5.000 manschappen Hesnes in het zuiden van Noorwegen. Ondanks dat zijn vloot en leger uitgedund was ondervond Christian nauwelijks weerstand: de Noorse Rijksraad stuurde op 29 november 1531 een brief naar koning Frederik, de oom van Christian die nu koning van Denemarken en Noorwegen was, waarin zij vertelden dat zij Frederik niet langer als hun koning zagen, maar dat Christian dat nu weer was.

 

Op 2 januari 1532 werd Christian weer gehuldigd als koning van Noorwegen, door diezelfde Rijksraad. Maar hij had niet de controle over het belangrijkste Noorse kasteel weten te krijgen: Akershus bij Oslo. Mogens Gyldenstjerne was als leenman van Akerhus namens Denemarken de leider van de verdediging van Noorwegen tegen Christian II en hij bood veel weerstand.

 

Akershus bij Oslo

 

Kasteel Akershus bij Oslo.

 

Akershus bij Oslo

 

 

 

 

 

 

Hoog op een rots aan zee gelegen een bija onneembare vesting.

Wapen Christian II

 

Het wapen van Christian II, zoals het op Akershus te zien is.

 

Deense reactie kon natuurlijk niet lang uitblijven, en in mei 1532 arriveerde een vloot van 25 Deense en Lübeckse schepen met soldaten, onder leiding van Knud Gyldenstjerne, de broer van Mogens en bisschop van Odense. Knuds leger bleek te sterk voor Christian en op 1 juli 1532 (Christians 51e verjaardag) kwam hij zo in het nauw dat hij zich op kasteel Akershus moest overgeven en moest gaan onderhandelen met zijn oom, koning Frederik van Denemarken.

 

Men zegt dat Christian moeilijk beslissingen kon nemen, of de ene keer het ene besliste, en de andere keer het tegenovergestelde. Men zegt ook dat dat erger werd naarmate hij ouder werd. Hij ging onderhandelen als hij had moeten aanvallen bijvoorbeeld. En hij presenteerde zich als verdediger van het katholicisme in Noorwegen, maar benoemde Peder Kempe, de meeste fanatieke aanhanger van Luther in zijn gevolg, tot kanselier.

 

Die onderhandelingen zouden in Kopenhagen plaatsvinden, en Frederik had aan Christian een vrijgeleide beloofd. Maar Frederik hield zich niet aan zijn belofte en liet zijn neef niet naar Kopenhagen varen, maar naar kasteel Sønderborg. Eerst vertelde men nog het verhaal dat dit maar tijdelijk zou zijn, totdat zijn oom Frederik met hem kon onderhandelen in Flensburg. Maar daar kwam het dus nooit van.

 

Stoel op Sønderborg

 

Replica van een 16e eeuwse stoel op kasteel Sønderborg. Het geeft een idee van hoe Christian er bij zou kunnen hebben gezeten.

 

Christian II's gangetje op Sønderborg

 

Gangetje op kasteel Sønderborg. Het enige gangetje waar men bijna zeker weet dat Christian II er gelopen heeft.

 

Kakebille bier naar 16e eeuws recept

 

Men brouwde goed bier voor Christian tijdens zijn gevangenschap, van het "kakebille" type. Dat wordt nu op het kasteel verkocht.

 

Op 9 augustus 1532 kwam Christian aan op kasteel Sønderborg en mocht van zijn gehele gevolg slechts een paar koks en zijn lievelingsdwerg (als hofnar?) bij zich houden. Zijn ridderorde van het Gulden Vlies werd van hem afgepakt. Hij was gevangen, maar werd wel als adellijk persoon behandeld: hij werd in de gaten gehouden door 4 edellieden, aan wie hij ook weer goed gezelschap had. Hij kon zich overdag vrij bewegen op het kasteel, en uit de bewaard gebleven rekeningen van het kasteel blijkt dat hij qua eten, drinken en kleding goed verzorgd werd. Zijn dwerg werd ziek en moest in 1533 naar de stad vervoerd worden, en via de dwerg heeft Christian geprobeerd contact te zoeken met de buitenwereld. Toen dat uit kwam, werd het toezicht verscherpt: hij werd ingemetseld en alleen nog maar bewaakt door een oude soldaat.

 

Christian III vond dat in 1540 weer te streng, en heeft er voor gezorgd dat zijn neef overdag weer de toren uit mocht en in de meer comfortabele ruimten van het kasteel mocht zitten. Ook kreeg hij weer vier edellieden tot zijn beschikking. Ze waren wel zijn bewakers, maar zorgden ook voor aanspraak “op niveau”. Na 1544 kreeg hij steeds meer privileges en kon hij af en toe een feest geven. Maar ondanks dat had zij momenten van diepe depressie en zocht hij zijn toevlucht tot de wijn.

 

Straatje in Kalundborg

 

Typisch Deens straatje in Kalundborg.

 

De kerk van Kalundborg

 

De kerk van Kalundborg waar Christian II mocht bidden. De kerk heeft een voor Denemarken unieke architectuur.

 

Resten van kasteel Kalundborg

 

Enig overgebleven resten van kasteel Kalundborg.

 

In 1549 werd Christian verplaatst naar kasteel Kalundborg. Nog steeds was hij gevangene, bewaakt door een aantal edellieden. Hij kreeg meer bedienden, een persoonlijk predikant (in 1536 was reformatie naar Denemarken gekomen en is het land definitief Evangelisch-Luthers geworden) en geld om aalmoezen uit te kunnen delen. In 1550 kreeg hij toestemming om buiten het kasteel te rijden, wandelen of naar de kerk te gaan, als hij Kalundborg maar niet verliet. Pas in 1554 kreeg hij, 73 jaar oud inmiddels, toestemming om weer te gaan jagen, onder streng toezicht. Zijn gevangenschap op kasteel Kalundborg duurde tot aan zijn dood op 25 januari 1559.

 

Zijn oom, koning Frederik I van Denemarken, heeft niet lang van zijn overwinning op Christian kunnen genieten: hij overleed nog geen jaar later, op 10 april 1533. Frederiks zoon Christian werd zijn opvolger en stond bekend als koning Christian III. Christian II en Christian III waren dus neven van elkaar. Neef Christian III overleed op 1 januari 1559, dat maakte Christian II (die 3 weken later stierf) de enige Deense koning die twee van zijn opvolgers heeft overleefd. Christian III werd opgevolgd door zijn zoon Frederik II, en deze koning heeft besloten dat Christian II, zoals hij dat zelf gewenst had, een koninklijke begrafenis moest krijgen naast zijn ouders, koning Hans en koningin Christina, in de Gråbrødre kerk in Odense. Deze kerk is later afgebroken en de koninklijke resten van Christian en zijn ouders zijn in 1805 overgebracht naar de domkerk van Odense, waar zij nu nog steeds liggen. In 1883 zijn de overblijfselen van koningin Elisabeth en hun zoon, prins Hans, vanuit Gent naar Odense gebracht, zodat Christian II nu samen met zijn ouders, vrouw en kind begraven ligt.

 

(Klik op de afbeeldingen hieronder voor een grotere versie van de foto's).

 

Grafsteen Christian

Grafsteen van Christian II in de domkerk van Odense.

 

 

 

De kerk van Kalundborg

 

Altaarstuk in de domkerk van Odense. Onderin zijn de afbeeldingen van Christian en Elisabeth te vinden.

 

Resten van kasteel Kalundborg

 

Grafsteen van Elisabeth in de domkerk van Odense.

 

 

 

 

Vanaf de 16e eeuw hebben alle Deense koningen afwisselend de naam Christian en Frederik gedragen. De laatsten in de rij waren koning Christian X (1870-1947) en Frederik IX (1899-1972). Frederik IX had geen zoon, en sinds 1972 regeert zijn oudste dochter als koningin Margrethe II over Denemarken. Haar naam verwijst natuurlijk naar Margrethe I, die de Unie van Kalmar smeedde en zo de Noordse koninkrijken verenigde. En zo blijft de Koning in het Noorden nog altijd in herinnering.

 

Terug naar boven