De laatste winter
Mail Facebook Twitter Instagram

 

De hongerwinter De laatste overlevende Ladelund
De Lübecker Bocht Neuengamme Psalm 84
De razzia van Putten Reisverslag Ladelund Links

 

De hongerwinter

Als wij de term “de Bevrijding” horen, denken wij meestal aan 4 mei 1945, waarop de Duitse bezetter in Nederland zich onvoorwaardelijk overgaf. In werkelijkheid verliep de bevrijding van alle Nederlanders in fasen, die begon op 12 september 1944 in Zuid-Limburg, en pas een jaar later, op 15 augustus 1945, eindigde met de bevrijding van Nederlands-Indië.

 

In De laatste winter wordt de bevrijding van Amsterdam beschreven. De intocht van de Canadezen vond daar pas op 8 mei 1945 plaats. Nog op 7 mei zijn er op de Dam 20 mensen doodgeschoten door de Duitsers.

 

De laatste winter van de tweede wereldoorlog was zeer dramatisch. De herfst was nog gevuld met hoop, omdat de geallieerden er aan kwamen. Op 5 september 1944 leidde dat tot Dolle Dinsdag, een dag waarop alle Nederlanders begonnen te geloven dat de oorlog bijna voorbij was. Dat leek ook zo, want al gauw werden het zuidelijke deel van Nederland bevrijd. De opmars werd echter tegengehouden bij de grote rivieren, denk aan de slag om Arnhem.

 

Hierdoor moest de geallieerde legerleiding een nieuw plan bedenken om de Duitsers zo snel mogelijk tot overgave te dwingen: men probeerde niet langer de rivieren over te steken, maar trok rechtstreeks Duitsland in, richting Berlijn. Het duurde uiteindelijk tot 4 mei 1945 totdat de Nazi’s zich definitief overgaven.

 

Het stedelijke gebied in het Noordwesten van Nederland moest daarom nog een hele winter op de bevrijding wachten. Was 23 augustus 1944 nog de warmste dag ooit in Nederland (ruim 38 graden gemeten in Warnsveld), vanaf oktober was het over met het mooie weer. Het werd te koud voor de tijd van het jaar, het was somber en er viel zeer veel regen. Januari 1945 was vrij koud met een gemiddelde temperatuur van -1,6 graden, en februari was juist weer opmerkelijk zacht, met +6,0 graden. De laatste winter van de oorlog was dus niet extreem koud, maar is wel door alle overlevenden als een van de barste winters ooit ervaren.

 

Na de spoorwegstaking van 17 september 1944 hadden de Duitsers besloten om aanvoer van voedsel en brandstoffen niet meer toe te staan. Hierdoor kwam vooral het westen van Nederland in de problemen. In Amsterdam werden gasloze uren ingevoerd, het tramverkeer kwam stil te liggen en vanaf eind oktober kwamen er gaarkeukens in de stad.

 

Brandstoftekort

5 mei 1945. Kinderen halen houtblokjes tussen de tramrails vandaan.

 

Om te koken of de kachel warm te stoken, moesten de inwoners steeds inventiever worden. Ze zochten naar kolen, sintels of hout en zaagden – ook al was dat ten strengste verboden- de takken af van de bomen in het plantsoen of de parken. Toen de nood heel hoog werd, wrikten ze zelfs de houten blokjes tussen de tramrails uit om die in de kachel te kunnen stoppen. Kasten, deuren en lambrisering werden uit de eigen woning gesloopt. Ook gingen er mensen naar de nu leegstaande Jodenwijk om daar hout te halen. Dit was erg gevaarlijk; door de plunderingen bestond het risico dat de huizen in zouden storten.

Er werd meestal gekookt op een ‘wonderkacheltje’, niet meer dan een metalen pijp met een roostertje erin. Je kon deze namelijk ook met kleine twijgen of spaanders voeden en had zo minder brandstof nodig.

 

Begin januari konden de meeste Amsterdammers hun normale werkzaamheden niet goed meer uitoefenen. De meesten werkten helemaal niet meer, sommigen halve dagen of slechts een paar dagen per week. Veel kinderen gingen niet meer naar school, of de scholen sloten zelf omdat ze de lokalen niet meer verwarmen konden. De zwarte handel won steeds meer terrein.

 

Ook voedsel werd steeds schaarser in de stad. Vanaf vier uur in de nacht stonden de mensen in de rij om brood te krijgen. Als er een nieuwe bonnenperiode aanbrak, moest je er snel bij zijn voor alles uitverkocht was. De mensen wisselden elkaar af, omdat het in de rij staan steeds meer tijd kostte.

 

Hongertocht

Voedseltocht, eind 1944.

 

Omdat de honger steeds erger werd, begonnen de mensen op voedseltocht te gaan, de zogeheten hongertochten. Met de fiets of een handkar trokken ze erop uit om bij de boeren op het platteland om voedsel te vragen. De meest aantrekkelijke gebieden vanuit Amsterdam waren: ‘De Haarlemmermeer’ voor aardappelen en groenten, De ‘Wieringermeer’ voor aardappelen en graan, ‘De Strek en Langedijk’ voor groente, terwijl de directe omgeving van Amsterdam melk en groente opleverde. Maar er waren ook mensen die helemaal naar Drenthe gingen. Op sommige dagen trokken duizenden mensen langs de wegen. Natuurlijk werden ook de boeren overdonderd door de grote vraag. De meesten vroegen op het laatst dan ook geen geld meer, maar wilden hun etenswaren liever slijten door ze te ruilen tegen sieraden, linnen en andere voorwerpen.

Behalve het razziagevaar voor jongens en mannen (vanwege de Arbeitseinsatz), liepen de voedselzoekers ook de kans om alles af te moeten geven aan de Duitsers als zij controleerden. Maar nog vaker was de kans dat ze tegengehouden werden door de Landwacht, voornamelijk NSB’ers die met jachtgeweren waren uitgerust. Wanneer je de pech had om ze tegen te komen werd het moeizaam verkregen voedsel afgepakt voor hun eigen gebruik.

 

Onder invloed van bovengenoemde Arbeitseinsatz waren er de maanden januari, februari en maart 1945 waren meer vrouwen onderweg dan in de laatste maanden van 1944.

Men schat dat er de winter van 1944-1945 20.000 mensen zijn omgekomen door de koude en door voedselgebrek. Vanwege het gebrek aan hout voor doodskisten en de schaarste aan brandstof om de lijken te vervoeren werden in Amsterdam de doden in de Zuiderkerk neergelegd tot ze vervoerd konden worden. Op het hoogtepunt van de Hongerwinter lagen in de kerk 135 doden opgebaard.

 

Terug naar boven

 

De laatste overlevende

Nadat de eerste versie van De laatste winter klaar was, had ik in juni 2012 een ontmoeting met een heel bijzondere man, Jannes Priem, toen 86 jaar. Net als mijn personage Maarten in het boek, is hij als 18-jarige opgepakt bij de Razzia van Putten. Vanuit Kamp Amersfoort werd Jannes samen met de andere Puttenaren vervoerd naar Neuengamme en van daaruit naar andere kampen getransporteerd. Het ergste kamp vond Jannes Ladelund, een klein buitenkamp van Neuengamme dat aan de grens met Denemarken ligt. Hier moesten de gevangenen tankvallen graven en waren de omstandigheden in de barakken nog erger dan in het hoofdkamp Neuengamme.

 

Aan het einde van de oorlog werd Jannes vanuit Bergen Belsen via Neuengamme naar een van de schepen in de Lübecker Bocht gebracht. Vlak voor het bombardement op de schepen door de Engelsen zijn er door het Zweedse Rode Kruis vijftig gevangenen gered en naar Zweden gebracht. Jannes was daar een van.

 

Na de oorlog had hij het zwaar, toen hij in Putten terugkwam zat niemand op zijn verhaal te wachten. Bovendien vroegen veel mensen naar hun eigen zonen, echtgenoten of vaders. Jannes kon zich niet alles meer herinneren en nadat hij een paar keer voor leugenaar was uitgemaakt, klapte hij dicht. 50 jaar lang praatte hij niet meer over de dingen die hij had meegemaakt. Pas toen hij mee ging op een reis naar Ladelund, had hij gesprekken met een Duitse pastoor en ging hij weer praten over wat hij had meegemaakt. Jannes zei altijd dat hij toen pas echt bevrijd is. Het is een mooi gegeven dat juist de Duitsers uit de streek waar hij zo veel heeft meegemaakt, hem hebben geholpen om zich weer open te stellen voor de buitenwereld. Zijn lijfspreuk was (dat hij heeft): “Vergeven, nooit vergeten“.

 

Terug in Nederland ging hij lezingen op scholen geven. Lees hier zijn persoonlijke verhaal.

Die eerste keer dat ik hem ontmoet heb, gaf Jannes op mijn vragen over de verschrikkingen van het kampleven antwoord en hielp mij met zeer veel details voor het verhaal. Ik ben hem nog steeds zeer dankbaar voor het feit dat hij zijn ervaringen met mij heeft willen delen. Hierdoor kon ik mij beter inleven hoe het kampleven moet zijn geweest. De belevenissen van Maarten en Bastiaan werden zo veel persoonlijker en dat heeft het verhaal beslist goed gedaan. Ook al was het voor mij moeilijk om de wreedheden die mensen moesten ondergaan, aan te horen. Mijn hart ging dan ook naar Jannes uit en toen hij me aan het einde van het gesprek vertelde dat je van al deze dingen hard werd, zag ik aan zijn ogen dat er ook nog een heel kwetsbare man achter de hardere man zat.

 

Daarna heb ik hem nog een aantal keer ontmoet. Soms was dat bij de Stichting Oktober 44, zoals bij de herdenking, maar ook een paar keer bij hem thuis.

 

Op 22 augustus 2013 is Jannes overleden. Bij zijn uitvaart werden verzen drie en vier van psalm 84. Dit was de psalm die de mannen op 2 oktober 1944 ’s morgens in de kerk gezongen hadden voor zij werden afgevoerd.

 

Het was een voorrecht om deze bijzondere man te mogen leren kennen.

Als eerbetoon aan Jannes en zijn verhaal heb ik hem ook in De laatste winter een plekje gegeven. Mijn hoofdpersoon Anna ontmoet tijdens de Razzia heel kort een jongeman, die patroonhulzen verstopt in het hooi. Die jongeman is Jannes Priem, hij heeft echt patroonhulzen voor de Duitsers verstopt tijdens de Razzia.

 

Hieronder een aantal foto's van Jannes Priem. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

 

Hieronder een aantal foto's van Jannes Priem. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

Femke bij Jannes thuis op bezoek voor een interview, zomer 2012.

Na de herdenking van 2012 praten Jannes en Femke nog even na.

Jannes geeft een radio interview na de herdenking in Putten van 2012.

 

 

Terug naar boven

 

Ladelund

In De laatste winter komt behalve kamp Neuengamme ook een scène voor waarin kamp Ladelund beschreven wordt. Zelf heb ik deze plaats pas bezocht nadat het boek al klaar was. Er is nu niets meer over van het voormalige kamp behalve de gedenkplaats, maar toch wilde ik graag zelf op die plek geweest zijn. De tankgracht bij de Veldweg, die van het kamp in de richting van het kerkhof leidt, is na 1945 als stortplaats voor vuilnis gebruikt en daarna zelfs geëgaliseerd. Alleen een gedeelte van de tankgracht westelijk van Ladelund valt nog duidelijk te herkennen. De laatste barak is in 1970 afgebroken. Het voormalig kampterrein is in zijn contouren en aan het bomenbestand langs de weg nog goed te herkennen. 40 jaar na de oorlog is er een gedenksteen gekomen met daarop de eerste zin van de Duitse grondwet: ‘De waarde van de mens is onaantastbaar’. Meer over mijn bezoek aan Ladelund in het Reisverslag Ladelund.

 

Ladelund was een van de 87 buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme en één van de ruim 1000 van zulke kampen in heel Duitsland. Vanaf 1938 ontstond een barakkenkamp van de Reichsarbeitsdienst in noordoostelijk Ladelund, het dorp dat dicht bij de Deense grens ligt. 200 deelnemers verhardden in die tijd de Heideweg die langs het kamp in de richting van de Duits-Deense grens liep. In deze voormalige barakken werd in 1944 het buitenkamp gebouwd. Het kamp heeft maar kort bestaan: van 1 november 1944 - 16 december 1944, maar van de 2000 gevangenen kwamen er in deze tijd 300 om het leven.

 

In de herfst van 1943 nam de vrees toe bij de Duitsers dat de geallieerden aan de Duitse of Deense Noordzeekust wilden landen. Daarom gaf Hitler bevel tot aanleg van de Friesenwall en de Riegelstellungen. In het begin van 1945 werden reusachtige tankgrachten aangelegd. Versterkingswerken konden in de tweede helft van het oorlogsjaar 1944 alleen al vanwege gebrek aan materiaal niet meer gebouwd worden. Toch werkten overal in Sleeswijk-Holstein krijgsgevangenen, dwangarbeiders en concentratiekampgevangenen aan zinloze tankgrachten en geschutstellingen. Zo ontstond dus ook in november 1944 het kamp Ladelund, waarvan Hans Griem de commandant werd. Hij was een wrede man die onder andere regelmatig levensmiddelen uit de rantsoenen van de gevangenen verduisterde en een satanisch genoegen beleefde aan sadistische kwellingen. Bovendien was hij vaak aangeschoten. Sommige gevangenen werden door Griem zelf doodgeschoten zonder enige reden.

 

Van de 600 mannen uit Putten werden er ook velen naar Ladelund gevoerd. Van hen kwamen er hier 110 om vanwege de kou, ondervoeding en dwangarbeid. De Nederlanders waren in dit kamp de grootste groep. Voor het onderbrengen van de gevangenen waren er nauwelijks maatregelen getroffen. De nieuw opgerichte wachttorens en het prikkeldraad moesten hen het vluchten beletten. De sanitaire voorzieningen kwamen nog uit de tijd toen het kamp nog van de Rijksarbeidsdienst was en net als de keukens waren ze maar voor hooguit 250 personen berekend. De gevangenen die op 1 en 2 november 1944 uit Husum-Schwesing en Neuengamme kwamen moesten tankgrachten en geschutstellingen graven met zeer beperkte en eenvoudige middelen en onder erbarmelijke omstandigheden.

 

De meesten waren al ondervoed en verzwakt toen ze aankwamen en het aantal zieken en stervenden nam snel toe door de ontoereikende voeding, slechte huisvesting en het harde werk in de koude modder. ’s Morgens kregen ze 300 gram brood en 50 à 100 gram ‘worst’ of een beetje ‘jam’, ’s middags een kwart of een halve liter ‘soep’, ’s avonds ongeschilde in vieren gesneden, slecht gewassen aardappels afgewisseld met koolraap of witte kool (zelden gaar) en af en toe een klein schepje uitgekookte stukjes vlees. Iedere barak had twee kleine kamers, op ongeveer 40 m2 lagen 80 gevangen. 40 op een soort hoge houten stellage en ongeveer 35 op de grond. Matrassen waren er niet, alleen stro, dat vaak dagenlang aan de regen blootgesteld was voordat het in de barak kwam. De meeste gevangenen sliepen dus op de kale grond en probeerden hun natte kleding ergens op te hangen en te drogen.

 

Medische behandeling was er nauwelijks, de kamparts Dr. Clément moest het met bijna geen medicamenten en medische instrumenten doen.

 

De Kapo’s kwelden in opdracht en onder toezicht van de SS hun medegevangenen en joegen ze onbarmhartig op tijdens het werk. Met gummiknuppels, stokken en met zand gevulde slangen sloegen ze zonder aanleiding tot zeker 700 keer op een dag. Veel gevangen overleefden dit niet.

 

Uit Husum en Neuengamme kwamen de mannen op 1 en 2 november 1944 met veewagens aan op het station Achtrup, vanwaar ze acht kilometer lang over de straatweg naar kamp Ladelund moesten lopen.

 

Met niet meer dan een paar schoppen of spaden moesten de mannen de tankgrachten uitgraven. Deze waren vier à vijf meter breed en met schuin toelopende wanden van meer dan drie meter diep. De ondervoede gevangenen stonden vaak elf uur in het ijskoude water en waren aan het vreselijke regime van de Kapo’s overgeleverd. De doden werden iedere avond naar het kamp gedragen.

 

De mensen in Ladelund zagen en hoorden het schreeuwen van de afgeranselde gevangenen, maar konden niets doen. Iedere vorm van hulp of protest bracht het risico van de eigen arrestatie met zich mee. Dominee Meyer uit Ladelund deed zijn best om de gestorven gevangenen een christelijke begrafenis te geven en hij registreerde de persoonlijke gegevens van de doden.

 

Sinds 1945 correspondeerde hij met de nabestaanden en legde zo de eerste contacten. Hij kreeg opdracht van commandant Griem de gestorvenen te begraven en hun kameraden moesten de massagraven delven aan de rand van het dorpskerkhof. Met hulp van bakker Olsen, wist hij hun wat voedsel te geven. De doden werden in papieren zakken naar het kerkhof gebracht.

 

Ladelund neemt een speciale plaats in tussen andere plaatsen waar concentratiekampen hebben bestaan, vooral door dominee Meyer. In 1950 al, bezochten 130 gasten uit Putten de graven van hun familieleden op de nieuwe gedenkplaats. Ze overnachtten in Denemarken. Bij hun aankomst stelde de bevolking zich in eerste instantie terughoudend op. Pas tijdens de gezamenlijke kerkdienst kwam men nader tot elkaar. De dominee gaf ook gehoor aan een tegenbezoek aan Putten, maar tot 1958 bleven de betrekkingen tussen Ladelund en Putten van Duitse zijde voornamelijk beperkt tot ds. Meyer. Vanaf die tijd werden de contacten van de familieleden van de slachtoffers verstevigd.

Vanaf 1965 worden alle gasten uit Putten bij gezinnen uit Ladelund ondergebracht.

 

Hieronder een aantal foto's uit Ladelund. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

De Evangelisch-Lutherse kerk van Ladelund.

Gedenksteen voor de slachtoffers van kamp Ladelund.

Foto van de barakken van Ladelund.

 

Kunstwerk ter herinnering aan de gevangenen.

We liepen het lange pad af, van het kamp naar de plek waar de gevangenen tankvallen moesten graven.

Gevangenen die een tankval aan het graven zijn, op drie verschillende hoogten.

 

 

Terug naar boven

 

De Lübecker Bocht

Bron: Nederlanders in Neuengamme.

 

Nadat het concentratiekamp Neuengamme in de laatste dagen van de oorlog ontruimd werd, moesten de gevangenen die nog konden lopen afmarcheren of zij werden in een trein gezet. Degenen die dit overleefden kwamen aan bij de Lübecker Bocht. Dit is een baai in het zuidwesten van de Oostzee, vlakbij Neustadt en bij de haven Lübeck. De gevangenen werden allen verzameld op de kade van Neustadt, waar ze met duizenden tegelijk moesten bivakkeren in de open lucht.

 

In de Lübecker Bocht lagen drie vrachtschepen: de Thielbek, de Athen, de Deutschland en het luxe passagiersschip de Cap Arcona. Verderop in de baai lagen tientallen duikboten en oorlogsschepen voor anker.

 

Eerst werd de Thielbek volgeladen met ongeveer 2000 gevangenen en daarna de Athen. Dit laatste schip voer heen en weer tussen de Cap Arcona en de Deutschland om nog meer gevangenen aan boord te brengen.

 

De toestand op de schepen was verschrikkelijk. Vooral op de Athen zaten ze met honderden tegelijk in de ruimen op elkaar gepakt.

 

In eerste instantie weigerde de kapitein van de Cap Arcona om de gevangenen aan boord te nemen, maar uiteindelijk zwichtte hij voor de druk. Voor de gevangenen was het op de Cap Arcona iets beter: ze zaten niet met honderden in het ruim, maar ook in de hutten.

 

Er gingen geruchten dat de schepen weg zouden varen en tot zinken zouden worden gebracht. Dit was niet ondenkbaar, want de Duitsers wilden zich maar al te graag ontdoen van alle bewijzen (daarom ontruimden zij kampen en vernietigden administratie), en zij wilden liefst ook geen getuigen in leven laten. Er gingen ook hoopvolle geruchten rond dat de gevangenen naar Zweden gebracht zouden worden. Een hele kleine groep gevangenen, ongeveer 50 mensen is ook daadwerkelijk van boord gehaald en met het Rode Kruis naar Zweden gegaan; waaronder Jannes Priem, de laatste overlevende van de razzia van Putten.

 

In het stamboomonderzoek dat ik rond die tijd heb gedaan kwam ik een Teunis Glijnis uit Krommenie tegen, een communist die kort voor de oorlog in Nederland tot gevangenisstraf was veroordeeld wegens belediging van een bevriend staatshoofd: Adolf Hitler. Teunis is in de oorlog weggevoerd naar Duitsland, waarschijnlijk als politieke gevangene, en is op 3 mei 1945 omgekomen in de Lübecker Bocht. In eerste instantie was hij mijn inspiratiebron, maar later heb ik nog veel meer verhalen gelezen over mensen die het drama in de Lübecker Bocht hebben meegemaakt.

 

In de nacht van 2 op 3 mei 1945 brachten de Duitsers hun eigen duikboten en andere oorlogsschepen in de baai tot zinken.

 

Op 3 mei ’s middags om 14.30 uur, werden de Cap Arcona, de Thielbek en de Deutschland door Engelse vliegtuigen aangevallen. De Athen lag vanaf 12 uur ’s middags aan de kade van Neustadt om gevangenen af te halen.

 

De aanslag kwam voor iedereen aan boord volkomen onverwacht, op alle schepen was de witte vlag gehesen. Het is onduidelijk waarom de Britten deze aanval ingezet hebben. De Zweedse regering had de Britse regering namelijk gewaarschuwd dat er gevangenen aan boord van de schepen werden gebracht. Tot 2045 zijn de archieven over het bombardement gesloten, dus we weten niet goed wat er precies gebeurd is.

 

Door de Cap Arcona, het schip dat ik gebruikt heb voor De laatste winter, ging tijdens de aanval een vreemde trilling en bijna meteen stond het overal in brand. De gevangenen zaten in de val in de hutten en de ruimen en probeerden allemaal tegelijk naar boven te komen toen de paniek uitbrak. SS-ers probeerden hen tegen te houden. Wie het bovenste dek wel kon bereiken sprong in het water, maar de meesten haalden de kust niet. SS-ers voeren met bootjes langs en schoten op iedereen die in de zee lag. Nog jaren na de scheepsramp spoelden er op verschillende plaatsen langs de kust lichaamsdelen van mensen aan.

 

Uiteindelijk kapseisde de Cap Arcona en het schip was doormidden gebroken. Ongeveer 314 gevangenen en twee bemanningsleden wisten zich op de scheepwand te hijsen en overleefden het bombardement.

 

In de baai, even buiten Neustadt in Holstein, is een monument en erebegraafplaats opgericht voor de slachtoffers.

 

Op de Cap Arcona, Thielbek en de Athen bevonden zich op 3 mei ongeveer 9000 gevangenen. De Deutschland had geen gevangenen aan boord. Van die 9000 gevangenen zijn er meer dan 7000 omgekomen op de Cap Arcona en de Thielbek. De ongeveer 2800 gevangenen op de Athen hebben bijna allen de oorlog overleefd.

Ook de Lübecker Bocht heb ik zelf bezocht, net als het kamp Neuengamme, op een stralende junidag. Er is een opstelling voor het strand neergezet, waar je als bezoeker door een kijker heen kunt kijken om te zien waar de schepen gelegen hebben. Op zo’n mooie dag was het lastig voorstellen hoe de zee op 3 mei 1945 rood kleurde. Er staat bij het strand een bordje dat er niet gezwommen mag worden. Aan dat verbod werd gewoon voorbij gegaan. Voor het Ehrenfriedhof loopt een druk bezocht fietspad langs en ernaast staat een koffietent.

 

Dat was even slikken.

 

Het leven gaat door.

 

Hieronder een aantal foto's over de Cap Arcona en de Lübecker Bocht. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

 

De Cap Arcona (voor de oorlog).

De brandende Cap Arcona, 3 mei 1945.

De scheepsbel van de Cap Arcona.

De gedenkplaats voor de slachtoffers van 3 mei 1945, bij Neustadt in Holstein.

Gezicht op de Lübecker Bocht, bij het Ehrenfriedhof, Neustadt in Holstein.
 

 

Terug naar boven

 

Neuengamme

Bron: Nederlanders in Neuengamme.

 

Het kamp Neuengamme werd eind 1938 al gebruikt als buitenkamp van het concentratiekamp Sachsenhausen. Het dorp Neuengamme ligt ongeveer 30 kilometer ten oosten van Hamburg, het kamp zo’n 20 kilometer. In het dorp stond een kleine steenfabriek die niet meer in bedrijf was.

 

Het kamp werd in 1940 vergroot en vanaf die tijd was het zelfstandig. Het beschikte niet over gaskamers, maar er werden vele dwangarbeiders aan het werk gezet en de steenfabriek werd nieuw leven ingeblazen.

 

In dit kamp werkte men volgens het principe Vernichtung durch Arbeit– door te weinig slaap, te weinig eten en veel te hard werken vonden duizenden de dood. Daarbij kwamen nog de willekeurig uitgeoefende wreedheden door de kampbewakers.

 

Het kamp was niet in eerste instantie bedoeld om Joden om te brengen, er werden veel krijgsgevangen, politieke gevangen, verzetsstrijders, gijzelaars, zigeuners, homoseksuelen en Jehova’s getuigen in dit kamp tewerkgesteld. Er hebben ruim 5500 Nederlanders in Neuengamme gezeten, onder hen waren veel communisten, anti-Duitse politieagenten, en natuurlijk de mannen uit Putten. Van de 601 Puttenaren die zijn weggevoerd zijn er 588 in Neuengamme aangekomen. Onderweg zijn er 13 razziaslachtoffers uit de trein gesprongen. De Puttenaren werden overigens voor een groot deel verdeeld over kleinere buitenkampen van Neuengamme, zoals bijvoorbeeld Wedel, Huseum, Wöbbelin, Meppen-Versen en Ladelund en bleven dus lang niet allemaal in het hoofdkamp.

 

Men schat dat er in totaal 106.000 mensen in Neuengamme hebben gezeten, en dat er daarvan 55.000 in het kamp zijn overleden.

 

Het werk was onmenselijk zwaar en bestond bijvoorbeeld uit het zeulen van stenen, klei omhoogduwen in lorries of het opruimen van puin in Hamburg. Het werk moest zelfs tijdens bombardementen doorgaan. Er stierven duizenden mensen door uitputting en ondervoeding, maar evenzovele gingen dood door de talloze ziektes die er uitbraken door de slechte hygiënische omstandigheden in het kamp. Daar kwamen nog de afranselingen of het zomaar doodschieten door de bewakers bij.

 

De procedure van aankomst in Neuengamme was een bewust onderdeel om de gevangenen als het ware te ‘ontmenselijken’. De gevangene moest al zijn kleren en bezittingen (portefeuille, ringen, horloge en dergelijke) inleveren en daarna werd hij ontsmet onder een lysol douche. Al het lichaamshaar werd afgeschoren. De kampkleding die hen werd gegeven was versleten, paste niet en was veel te dun. Meestal was het een blauwgrijs gestreept pak, en een hemd. Er werden bijna nooit sokken uitgedeeld en ze kregen geen schoenen maar houten kleppers of klompen. De pakken van gestorvenen werden doorgegeven aan de nieuwelingen, zodat aan het eind van de oorlog de kleding nauwelijks meer dan een paar vodden was. Er werden geen nummers op de arm getatoeëerd zoals in Auschwitz, maar de gevangene droeg een zinken plaatje om de hals met daarop het nummer.

 

De mannen (er zaten veel minder vrouwen dan mannen in Neuengamme, maar ze waren er overigens wel en werden natuurlijk gescheiden van de mannen) sliepen in barakken, waar vanaf 1943 stapelbedden van drie hoog stonden, met kribben van ongeveer 65 cm breed, waarin twee of soms zelfs drie gevangenen lagen. Wassen mocht meestal niet zodat de hygiëne ver te zoeken was. De meesten werden ziek van zweren, open wonden, dysenterie en het feit dat er veel te mensen op elkaar gepakt moesten leven.

 

Twee maal per dag was er appèl, waarop de gevangen eindeloos werden geteld, en wanneer het aantal niet klopte, telden ze opnieuw. Urenlang stonden ze buiten in de kou in hun te dunne kleding in de regen en de sneeuw, soms zelfs naakt.

 

Het eten wat ze kregen was aan het eind van de oorlog net voldoende om niet dood aan te gaan. Een dunne snee brood ’s morgens met iets warms te drinken (de naam koffie kon het niet echt krijgen), ’s middags Steckrübensuppe, soep van koolrapen, soms met aardappelen die met schil en aarde waren meegekookt.

 

Aan het einde van de oorlog in april 1945, werd het kamp ontruimd. Slechts een klein deel van de gevangenen bleef tot het laatst, om de administratie te vernietigen. De anderen moesten marcheren op de zogeheten dodenmarsen of werden in een trein gestopt. Velen uit Neuengamme die dat overleefden, zijn uiteindelijk gevangengezet op een aantal schepen in de Lübecker Bocht.

 

In juni 2011 bezocht ik Neuengamme voor het eerst. Het was een stralende, warme dag waardoor het bijna nog lastiger was om je de verschrikkelijke gebeurtenissen voor te stellen die hier plaats hebben gevonden. Op het uitgestrekte terrein zijn alleen de appèlplaats en de twee stenen barakken (barak 1-4 en 21-24), de SS-garage en twee fabrieken (het Klinkerwerk en de Waltherwerke) over. De houten barakken zijn lang geleden afgebroken en hun omtrekken worden nu aangegeven met stenen. Verder staat er aan de rand een oude wagon op het spoor dat naar het kamp leidde.

 

In een van de stenen barakken is een permanente tentoonstelling ingericht, de andere functioneert als studiecentrum. Verder kan men op het terrein een Gedenkhaus vinden en verschillende monumenten. Ook de steen van Putten is zo’n gedenkteken dat speciaal voor de slachtoffers van de razzia van Putten is opgericht.

 

In november 2013 ben ik bij een van de reizen die georganiseerd worden door de Stichting Oktober 44 nog een keer terug geweest in het kamp. Dit keer was dat in hetzelfde seizoen als de mannen van Putten. Er hing een koude, druilerige mist over het terrein en er waaide een ijzige wind die mij deed huiveren in mijn winterjas. Toen ik uit de bus stapte, miezerde het en ik dacht erover na om terug te gaan om een paraplu te pakken.

 

Dat heb ik uiteindelijk niet gedaan; omdat ik de regen wilde voelen, mij voorstellende dat de mannen waarschijnlijk vaak genoeg kletsnat waren geworden tijdens hun gevangenschap.

 

Bij een van de lezingen die ik over De laatste winter gegeven heb, werd mij de vraag gesteld wat het met mij gedaan had toen ik Neuengamme bezocht.

 

Als je je zo lang hebt geprobeerd te verdiepen in de dingen die je personages meemaken, gaan ze bijna voor je leven. Bij mijn rondgang over het terrein was het net of Maarten en Bastiaan met mij meeliepen. Deze zelfde emotie heb ik ook ervaren toen ik de eerste keer bij de herdenking van de razzia in Putten was. Alsof mijn bedachte personages een symbool waren voor de weggevoerde mannen van wie er veel te weinig naar huis gekomen zijn na de oorlog.

 

Het was dus vreemd ontroerend om in Neuengamme te staan en foto’s te maken voor het verhaal. Een van de plekken waar ik bijna niet kon staan was de ‘tuin’ die de SS- ers hadden laten aanleggen en die de gevangenen alleen mochten onderhouden, maar verder niet betreden. Er staat alleen nog een treurwilg, maar ik werd bijna misselijk van de gedachte aan de netjes aangeharkte paden die op een tekening waren aangegeven terwijl ik wist dat de gevangenen in de smerigste vodden, ondervoed en ontmenselijkt -slechts een nummer- uit hun eigen, normale omgeving waren gerukt en in een waanzinnige, krankzinnig makende wereld terecht gekomen waren.

 

In de stenen barak vond ik de schuilkelder waar de gevangenen ingejaagd werden tijdens de bombardementen bijzonder beklemmend. Verder is de schuine helling waar de lorries naar boven geduwd moesten worden angstaanjagend steil en hoog. Mijn twee bezoeken aan Neuengamme hebben een enorme indruk op mij achtergelaten.

 

Hieronder een aantal foto's uit het kamp Neuengamme. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

 

Een van de wagons waarmee de gevangenen naar Neuengamme werden vervoerd.

Een van de weinige overgebleven houten gebouwen. De groene kleur is authentiek.

Het terrein van Neuengamme. De plaats waar de houten barakken stonden is nu met rode stenen aangegeven.

Het terrein van Neuengamme. De plaats waar de houten barakken stonden is nu met rode stenen aangegeven.

De plek waar de ” SS tuin” lag.

Gevangene met etensnap.

 

Terug naar boven

 

Psalm 84

Zoals Jannes Priem in zijn boekje ‘Vergeven, nooit vergeten’ schrijft:

De volgende morgen kwam dominee Holland naar de kerk.

We hebben psalm 84 vers 3 en 4 als afscheidspsalm gezongen.

 

Bij het schrijven van De laatste winter heb ik de scène in de kerk vanuit hoofdpersoon Anna geschreven en niet vanuit haar broer Maarten die wordt weggevoerd.

Toch heb ik bij het schrijven en ook later vaak nagedacht over hoe de mannen op een gegeven moment bij elkaar moeten hebben gezeten, vlak voor zij moesten vertrekken. Beseffende dat zij uit hun omgeving zouden worden weggerukt, onzeker over waar zij heen gingen. Het samen zingen moet hen een gevoel van troost hebben gegeven, een gevoel van verbondenheid vermengd met angst over hun lot.

Als ik deze psalm hoor denk ik aan dat moment, aan het geweld waarmee ze naar buiten werden gedreven, aan hun vrouwen, kinderen, moeders en vaders die minstens zo angstig moeten zijn geweest.

Dan denk ik aan de vele mannen die niet zijn teruggekeerd, maar ook aan de weinige mannen die wel terugkwamen.

 

Psalm 84, gezongen door het koor De lofstem, in de Evangelisch-Lutherse kerk van Ladelund.

 

Psalm 84, vers 3 en 4:

 

Welzalig hij, die al zijn kracht

En hulp alleen van U verwacht,

Die kiest de welgebaande wegen;

Steekt hen de hete middagzon

In ’t moerbeidal, Gij zijt hun bron,

En stort op hen een milden regen

Een regen, die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in ’t zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

Let, heer der legerscharen, let

Op mijn ootmoedig smeekgebed;

Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

Leen mij een toegenegen oor,

O Jakobs God, geef mij gehoor.

 

Terug naar boven

 

De razzia van Putten

Bronnen: Putten, de razzia en De herinnering (Madelon de Keizer), en de website van de Stichting Oktober 44.

 

In de nacht van 30 september op 1 oktober 1944 lokte het verzet bij de Oldenallerbrug tussen Putten en Nijkerk een auto met twee Duitse officieren en twee korporaals van de Wehrmacht, in een hinderlaag. Een van de officieren stierf, een ander raakte gewond. Hij werd gevangen genomen en de volgende dag losgelaten. De korporaals konden wegvluchten en sloegen alarm in Harderwijk.

 

Deze actie werd door de bezetter hoog opgenomen en generaal Friedrich Christiansen beval commandant Fritz Fullriede een vergeldingsactie uit te voeren. De volgende morgen vroeg al werd er een kordon rond Putten getrokken en iedereen die de Duitsers tegenkwamen tussen Putten en Nijkerk werd opgepakt. Niet alleen boeren die gingen melken, maar ook evacués en mensen op doorreis. Er werd gericht geschoten op diegenen die probeerden te vluchten.

 

De gemeente Putten had de gewoonte om op zondag half tien naar de kerkdienst te gaan. De meeste waarschuwingen voor een razzia kwamen dan ook net voor of tijdens de kerkdiensten. Er werd de mannen tussen zeventien en vijftig jaar aangeraden naar huis te gaan.

 

Maar niet lang daarna kwamen Duitsers en politiemannen aan de deur en sommeerden de Puttenaren om naar de kerk te gaan om hun persoonsbewijs te laten controleren. Wie ziek was kon een wit laken uit het raam hangen. De huizen werden overigens wel doorzocht en wie zomaar achtergebleven was, of zich verstopt had zou worden doodgeschoten.

 

De bezetter verzamelde de mannen eerst voor de kerk, later aan de achterkant van de kerk en tenslotte werden ze opgesloten in de school aan het marktplein. Deze school was veel te klein voor alle mannen. In korte tijd waren de wc’s overstroomd en liep het vuil zo de gang in. De vrouwen en kinderen moesten naar de kerk. Urenlang ging het verzamelen van alle inwoners door. Ook was er een groep van ongeveer dertig man die als gijzelaar zou worden doodgeschoten. Later werden zij in de Eierhal dicht bij de school opgesloten. Om de honderd meter stonden rondom de markt midden in het dorp soldaten met mitrailleurs. Eenmaal daar, kon je niet meer wegkomen.

 

Pas aan het eind van de dag vertelden de Duitsers de vrouwen van de aanslag en vroegen hen zich te melden als ze iets wisten. Kort daarop werden zij vrij gelaten, maar ze moesten de volgende morgen terugkomen met eten voor de mannen.

 

Nu werden de Puttense mannen in de kerk opgesloten, terwijl de mannen die ergens anders vandaan kwamen in de school moesten blijven.

 

De volgende dag kregen ze nog een keer de gelegenheid om naar voren te komen als ze iets van de aanslag wisten. Dominee Holland, die ook in de kerk was opgesloten, heeft ’s morgens vroeg de mannen nog toegesproken en daarna hebben ze met zijn allen psalm 84, vers 3 en 4 gezongen.

 

Tegen half acht maandagochtend 2 oktober 1944 moesten de mannen van 17 jaar tot vijftig in het middenpad van de kerk gaan staan, daarna werden ze naar buiten gebracht. De mannen die buiten deze leeftijdscategorieën vielen ( dus zij die jonger waren dan 17, of ouder dan 50), moesten weer terug naar de school en daarna nog een keer naar de kerk waar zij eindelijk iets te eten kregen, van de vrouwen die naar de school gekomen waren. De pannen werden hen bijna uit hun handen gerukt…

 

De groep die weggevoerd zou worden, stonden intussen klaar op het marktplein. Hun leeftijden werden eveneens in de persoonsbewijzen gecontroleerd, net als bij de andere groep gebeurd was. Ook de niet-Puttenaren uit de school werd bij de groep op het plein gevoegd.

 

Binnenin de kerk deelde commandant Fullriede boven op de galerij mee dat de mannen zouden worden meegenomen, de vrouwen Putten voor vier uur moesten verlaten en dat Putten in brand zou worden gestoken.

659 weerbare mannen werden op 2 oktober 1944 afgevoerd. Negen dagen later werden 601 mannen vanuit kamp Amersfoort op transport gezet, naar het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg in Duitsland. 13 razziaslachtoffers zijn op weg naar Amersfoort uit de trein gesprongen. Na de oorlog kwam minder dan 10%, maar 48 van deze mannen, terug naar hun families.

 

Jaarlijks wordt in Putten op 2 oktober deze tragedie herdacht, bij het monument dat voor de slachtoffers is opgericht. Het beeld, dat de vrouw van Putten genoemd wordt, staat symbool voor alle vrouwen en meisjes die hun broer, geliefde en/of man hebben verloren.

Omdat het verhaal van Putten en de Puttenaren een belangrijk deel van De laatste winter is gaan uitmaken, heb ik op 2 oktober 2012 en 2013 de herdenkingsceremonie bezocht.

 

Hieronder een aantal foto's van de herdenking in 2012. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

 

Het muziekkorps vertrekt na de plechtigheid.

Jannes Priem, de laatste overlevende, legt ook een krans.

Ook vanuit Ladelund in Duitsland komen vertegenwoordigers naar de herdenking om een krans te leggen

Het monument dat symbool staat voor de achtergebleven vrouwen en meisjes van Putten.

 

Terug naar boven

 

Reisverslag Ladelund

Omdat in De laatste winter een scène zit waarin Ladelund voor komt, wilde ik ook dit voormalig concentratiekamp bezoeken. Ik slaagde er helaas niet in om dat te doen voor het boek af was, maar het was wel mijn wens om ook die plek te hebben bezocht, net zoals ik zelf bij kamp Neuengamme en de Lübecker Bocht geweest ben.

 

De Stichting Oktober 44 organiseert reizen voor haar leden en in 2013 stond de reis naar Ladelund voor half november gepland. Op de terugreis zou Neuengamme aangedaan worden. Dit gebeurt meestal niet in combinatie met Ladelund, maar ik vond dat in ieder geval een bijkomend voordeel. Ik zou dan het kamp weliswaar voor de tweede keer bezoeken, maar nu in het jaargetijde dat de weggevoerde mannen er waren geweest en dat vond ik een mooi idee.

16 november 2013

Op zaterdagochtend vertrokken mijn man en ik in alle vroegte (7.00 uur) samen met onze reisgenoten vanaf het Kerkplein in Putten. Er waren zo’n 30 mensen die zich aangemeld hadden voor deze reis, maar dit jaar gingen ook 80 leden van het koor De Lofstem mee dat bij de verschillende herdenkingen zou zingen en bovendien ook een concert zou geven in de St. Petri Kirche van Ladelund.

 

Ik vond het extra bijzonder dat ik deze reis zou maken in onder andere het gezelschap van een van de dochters en schoonzoon en bovendien een vriend van de laatste overlevende van de razzia, Jannes Priem. Vanaf 1997 ging hij bijna ieder jaar mee naar Ladelund, omdat ook hij in dit kamp heeft gezeten. In augustus 2013 is hij gestorven en zijn dochter wilde graag nog een keer een krans leggen voor haar vader.

 

Aangezien Ladelund en Putten na de oorlog veel moeite hebben gedaan om zich met elkaar te verzoenen, is het in de loop van de jaren de gewoonte geworden dat Puttenaren naar de Volkstrauertag komen in november en dan in gastgezinnen in het dorp logeren. Omgekeerd komen er ieder jaar mensen uit Ladelund naar Putten bij bijvoorbeeld de herdenking van de razzia op 2 oktober. Zij logeren dan weer bij Puttenaren.

 

Op de heenreis stopten wij in Wedel en kregen daar een lunch aangeboden. Hoewel er dit keer meer dan 100 man kwamen, vanwege het koor, hadden de mensen toch voor ons gekookt en wilden er niets van weten dat wij niet zouden langskomen. In Wedel heeft ook kort een concentratiekamp bestaan, waar 10 mannen uit Putten zijn omgekomen. Ook dit kamp was een van de 87 buitenkampen van Neuengamme.

 

Het was ongelooflijk om te zien wat een warm welkom wij kregen en hoeveel moeite ze gedaan hadden om ons allemaal iets heerlijks voor te zetten. Deze mensen probeerden ons uit te leggen hoeveel het voor hen betekende dat wij hen wilden bezoeken. Het zette mij aan het denken over het schuldgevoel dat bij vele Duitsers moet leven om zo’n afschuwelijke erfenis te hebben gekregen als de Holocaust en het nationaalsocialisme. In Wedel waren er verschillende sprekers die een pleidooi hielden voor meer verdraagzaamheid in de wereld.

 

Na deze stop reden we door en we kwamen tegen zessen in de stromende regen aan bij onze bestemming. Hier stonden de gastgezinnen al op ons te wachten. Direct bij aankomst viel het op dat de meeste mensen elkaar als oude vrienden begroetten. Velen gaan dan ook jaarlijks mee met de reis en vele mensen uit het dorp zijn ieder jaar weer opnieuw gastgezin.

 

Onze gastheer en -vrouw waren ontzettend gastvrij en hoewel zij ons nooit eerder gezien hadden stelden zij hun huis voor ons open en maakten dat wij ons écht welkom voelden. Wij hebben een heel bijzonder weekend doorgebracht bij hen.

 

Hieronder een aantal foto's van 16 november 2013. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

Vertrek uit Putten, met zijn allen in de bus.

Aankomst in Wedel, we voelden ons meteen welkom!

Lunch, aangeboden en gemaakt door vrijwilligers in Wedel.

Jannes Priem was ereburger van Wedel; ze hadden een herdenkingstafel voor hem opgericht.

 

Terug naar boven

17 november 2013

De volgende dag was het Volkstrauertag. Op deze dag worden alle doden herdacht in Duitsland die omkwamen in gewapende conflicten of als gevolg van gewelddadige onderdrukking. De dag valt altijd op de voorlaatste zondag voor de adventszondag.

In de kerk van Ladelund werd een kerkdienst in het Duits gehouden, waar ook in het Nederlands werd gesproken. Bovendien werd psalm 84 gezongen. Dit is de psalm die de opgepakte mannen van Putten zongen in de kerk kort voor ze werden weggevoerd om daar troost en steun uit te putten. Alle mensen in de kerk stonden op en zongen uit volle borst in het Nederlands. Een kippenvel moment. De laatste keer dat ik deze psalm gehoord had was bij de uitvaart van Jannes Priem in augustus 2013 en dat maakte het moment voor mij des te emotioneler.

 

Daarna werden er kransen gelegd bij de graven en er was ook gelegenheid om mee te gaan naar het monument voor de gevallen soldaten in Ladelund en Westre.

 

Jannes Priem maakte zich daar altijd hard voor, in het kader van de verzoening. Maar het was een optie in het programma omdat het voor veel nabestaanden van de slachtoffers uit Putten ook een pijnlijk moment kan zijn om Duitsers te herdenken. Toch vind ik het mooi dat dit gebeurt, juist in het kader van elkaar vergeven. Maar ik begrijp ook dat het voor mensen die hun familieleden hebben verloren niet zo gemakkelijk is om daar over heen te stappen.

 

Ook op deze dag werd ons een maaltijd aangeboden, dit keer in de Pastorie. Heerlijke aspergesoep met heel veel gehaktballen, toespraken en dat alles in een sfeer van vriendschap en gemoedelijkheid. Het was prachtig om daar bij te zijn en iedereen vroeg van alles aan ons. Ook viel het me op dat de mensen heel openhartig waren over de tijd dat hier een kamp was, terwijl het ook moeilijk moet zijn om daarover te praten. Een heel bijzondere maaltijd weer.

 

’s Middags bezochten we het voormalig kampterrein waar ook bloemen werden gelegd. Toen ik over de weg liep die de voormalige gevangen hadden gelopen was het alsof mijn personages Maarten en Bastiaan naast me liepen. Ik zag hen in de nagebouwde tankvalgracht staan en verwonderde me over de diepte hiervan. Het vriendelijke herfstlicht zette alles in een gouden licht en het was nauwelijks voorstelbaar dat op die plek, met de vriendelijke weilanden zo’n afschuwelijk lijden heeft plaatsgevonden.

Maar toch is dat zo.

 

’s Avonds gaf het koor nog een concert en daarna was de lange dag ten einde.

 

Hieronder een aantal foto's van 17 november 2013. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

Kranslegging voor de Nederlandse gevallenen in Ladelund.

De dochter en schoonzoon van Jannes Priem leggen nog eenmaal een krans: een laatste groet van Jannes.

Ook Duitse soldaten doen mee aan deze ceremonie.

Kranslegging voor de Duitse gevallenen in Ladelund.

En hier doen wij mee met de Duitse soldaten, ook al kan niet iedere Puttenaar dat opbrengen.

Daarna worden we in de pastorie van Ladelund ontvangen.

En worden we op verzoenende toespraken en een heerlijke lunch getrakteerd.

De kerk van Ladelund, gezien vanaf de plek waar de gevangenen tankvallen moesten graven.

Reconstructie van zo'n tankval.

Het stuk akker waar vroeger de barakken van kamp Ladelund stonden.

's avonds geeft het koor een concert in de kerk van Ladelund.

Met een Puttens echtpaar (Dirk en Janny) aan de broodmaaltijd bij ons gastgezin.

 

Hans, goede vriend van Jannes en ook bekende van ons gastgezin, was ook uitgenodigd.

 

En zo eindigt zo'n dag van gedenken en emoties weer heel gezellig en broederlijk.

 

Birte (gastvrouw), Lars (mijn man) en ik.

 

Terug naar boven

 

18 november

We vertrokken vroeg omdat we rond het middaguur zouden lunchen in Bergedorf, dicht bij Neuengamme. Hier arriveerden we rond een uur of 1. Er hing een koude, druilerige mist over het voormalig kampterrein en we liepen eerst naar de steen van Putten. Er zijn verschillende monumenten van verschillende nationaliteiten op dit stuk van het terrein. Bij mijn eerste bezoek aan het kamp was ik hier niet geweest want het is zo’n uitgestrekt terrein dat ik mij toen beperkt heb tot de ruimtes en plaatsen die relevant waren voor de passages in De laatste winter. We waren blij dat we even uit de kou konden omdat het koor zong in de hal van de voormalige steenfabriek waar er koffie, thee en zelf gebakken koekjes klaarstonden. Toen de directie hoorde dat we kort zouden stoppen, hadden vrijwilligers de hele nacht doorgebakken.

 

De kou herinnerde mij eraan hoe het hier in de winter van 1944 geweest moet zijn voor de gevangenen. Hoewel 1944 geen extreem koude winter was, waren de omstandigheden waarin de mannen zich bevonden natuurlijk zo slecht dat het alleen daarom al bijna niet te verdragen moet zijn geweest.

 

Na een paar uur gingen we verder, want de reis naar Putten was nog lang.

Het meest bijzondere blijf ik toch vinden dat de twee gemeentes Putten en Ladelund over de verschillen en het oud zeer heen proberen te stappen, de banden aanhalen en proberen de geschiedenis die hen verbindt een plaats te geven. Dat vergt moed en ik denk dat veel mensen hier iets van kunnen leren.

 

Mijn reis naar het voormalig kamp Ladelund was heel mooi en af en toe emotioneel als ik besefte dat hier gruwelijke dingen gebeurd waren die op de een of andere manier bijna niet meer voor te stellen zijn als je uitkijkt over de akkers en de weilanden bij het monument waar vroeger de barakken hebben gestaan.

 

Hieronder een aantal foto's van 18 november 2013. Klik op de afbeeldingen om de volledige foto te zien!

In de vroege morgen verlaten we Ladelund, na nog een laatste blik te hebben geworpen op de kransen die gisteren zijn gelegd.

Neuengamme, monument voor de slachtoffers.

 

Bij de gedenkplaats voor de Nederlandse slachtoffers wordt gezongen door het koor, De lofstem.

 

Karren die door de gevangenen een helling op geduwd moesten worden.

Oude foto van die helling, met rails en karren.

De helling van de steenfabriek, zoals die er vandaag uitzag.

In een van de fabriekshallen van Neuengamme zingt het koor nog een paar liederen.

Nazi-humor: in het hek links het kamp (Kampf) en rechts een ladder (Leiter). Hier woonde de Kampfleiter (kampcommandant).

Nazi smeedwerk: een versierde swastika.

Op een grauwe, koude novemberdag krijg je een heel ander gevoel als je het kamp bezoekt als onze eerste keer, op een zomerdag!

 

 

 

 

 

Terug naar boven

 

Links

  • De Stichting Oktober 44 stelt zich tot doel om de geschiedenis van de gebeurtenissen in Putten in 1940-1945, en dan in het bijzonder de gebeurtenissen rondom de Razzia van 1 en 2 oktober 1944 levend te houden voor het nageslacht.
  • Het levensverhaal van Jannes Priem, de laatste overlevende van de Razzia in Putten, staat beschreven op zijn website.
  • De website van het museum Gedenkstätte Neuengamme (in het Duits).
  • De website van het museum KZ-Gedenk- und Begegnungsstätte Ladelund (in het Duits).
  •  

    Terug naar boven