Vrijgevochten
Mail Facebook Twitter Instagram

Bronnen Stadhouder Willem V Saint Omer
Leiden in de 18e eeuw

 

Gebruikte bronnen

 

Aan het schrijven van een historische roman gaat veel onderzoek vooraf. Voor wie zelf meer zou willen lezen over de periode waarin Vrijgevochten zich afspeelt, noem ik hieronder de voornaamste bronnen die ik heb gebruikt bij mijn onderzoek.

 

Boeken

 

  • Baartmans, Jacques, Alexander Philip van der Capellen, 1745-1787, de tragische lotgevallen van een dienaar van prins Willem V, Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2015
  • Driessen van het Reve, Jozien J., Bleker, Otto, P., Geloof alleen je eigen ogen, een actuele kijk op de anatomische preparaten van Frederik Ruysch (1638-1731), Uitgeverij Lias, 2017
  • Fijnje- Luzac, Emilie, Mijne beslommerde Boedel, brieven in ballingschap 1787-1788, Baartmans Jacques J.M, Uitgeverij Vantilt, 2003
  • Horst, van der, Han, Nederland, de vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, Amsterdam, Prometheus, 2002
  • Jong, de, E.H., Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers, patriotten en Prinsgezinden in Leiden, 1775-1795, Hilversum, Uitgeverij Verloren, 2014
  • Kooijmans, Luuc, Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw, Uitgeverij Bert Bakker, 1997
  • Kooijmans, Luuc, Het orakel, de man die de geneeskunde opnieuw uitvond, Herman Boerhaave, 1668-1738, Amsterdam, Uitgeverij Balans, 2017
  • Mooij, Van pest tot aids, vijf eeuwen besmettelijke ziekten in Amsterdam, Bussum, Uitgeverij Thoth
  • Museum Boerhaave, Theater van Leven en Dood, Gezondheid en ziekte in de Gouden eeuw
  • Rosendaal, Joost, Bataven!, Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787-1795, uitgeverij Vantilt, 2003
  • Schama, Simon, Patriotten en bevrijders, revolutie in de noordelijke Nederlanden 1780-1813, Uitgeversmaatschappij Agon, 1989
  • De Nieuwe Welervarene Utrechtse Keukenmeid, Begijnekade 18 Uitgevers, 2007
  • Voor zeventiende/achttiende-eeuwse medische terminologie raadpleegde ik Chirurgie Nae de hedendaegghse practijck beschreven door Paulus Barbette der mdicijnen doctor en practisijn te Amsterdam
  • Voor een beschrijving van de drukkunst gebruikte ik: Zetten en drukken in de achttiende eeuw. David Wardenaar's 'Beschrijving der boekdrukkunst' (1801)
  • Voor informatie over Londen in de achttiende eeuw had ik veel aan de website: London lives 1690-1800
  •  

    Artikelen

     

  • Golen, van, Janneke, Achttiende-eeuwse wooncultuur in Leiden, een onderzoek naar vier panden en hun eigenaren: Breestraat 117 en 24, Hogewoerd 144, Hooigracht 27, afdeling monumenten en archeologie van de gemeente Leiden
  • De Leidse Lustwarande: de locatiekeuze van buitenplaatsen ten noorden en westen van Leiden in de periode 1600-1850.
  • Risse, Guenter B, Thyphus fever in eigteenth-century hospitals: new approaches to medical treatment, in Bulletin of the history of medicine, February 1985
  • Verkroost, C.M., Kramers, C. W., Amputeren of aan de natuur overlaten? Een chirurgische casus uit de 18e eeuw, 1986
  •  

    Terug naar boven

     

     

    Stadhouder Willem V

     

    Een stadhouder was oorspronkelijk een edelman die als plaatsvervanger van een vorst (een landsheer, een koning) in een of meerdere gewesten het gezag uitoefende. Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw sprak men niet langer over de stadhouder van de vorst, maar over de stadhouder van een gewest. Met het Plakkaat van Verlatinghe werd in 1581 de landsheer afgezworen. Hierdoor was de functie van stadhouder eigenlijk niet langer nodig. Toch bleef deze bestaan.

     

    De stadhouder oefende de hoogste militaire functies uit: kapitein-generaal van het leger en admiraal-generaal van de vloot. Ook al voeren de stadhouders niet mee op de vloot, ze waren wel opperbevelhebber. Hij benoemde ook de officieren tot een bepaalde rang.

     

    Stadhouder Willem V was de laatste stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hij was de zoon van stadhouder Willem IV en werd in eigen tijd al verguisd. Tegenwoordig geldt hij nog steeds als mislukkeling. Toen hij drie was, overleed zijn vader. Zijn moeder werd regentes. Ook zij overleed jong, toen hij tien jaar was. Daarna werd de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, die een vriend was van zijn vader, voogd over de kleine Willem. Hij had veel invloed op hem.

     

    Toen hij 19 jaar was, trouwde Willem met de 16-jarige Wilhelmina van Pruisen. Ze was een nichtje van Van Brunswijk. Ze kregen vijf kinderen waarvan er één doodgeboren werd en één na een dag overleed. De andere kinderen waren: Louise (1770-1819), Willem (1772-1819) en Frederik (1774-1799).

     

    Wilhelmina was een slim meisje, en waar Willem een besluiteloze en afhankelijke man was, was zij juist voortvarend. In 1780 verloor de Republiek bijvoorbeeld de Engelse oorlog omdat Willem niet kon kiezen of hij geld wilde steken in de vloot of het leger. Dus werd er in geen van beide geïnvesteerd. De oorlog leverde een economische crisis op in de handelssteden.

     

    Willem V

    Willem V, ca. 1768-1769, door Johann Georg Ziesenis - Mauritshuis, den Haag.

     

    Zoals gezegd had de hertog van Brunswijk nogal veel invloed op Willem. Hij bleef ook toen de stadhouder meerderjarig was, zijn voornaamste adviseur. Hij had op een bepaald moment nogal veel functies, enige belangenverstrengeling was onvermijdelijk. Bovendien kreeg hij een vorstelijk salaris, omdat Willem hem zo dankbaar was dat hij zorg had gedragen voor zijn opvoeding.

     

    Niet iedereen was blij met de hertog. Wilhelmina bemoeide zich ook met staatszaken en wilde van de invloed van de hertog af. Patriotten en verschillende burgemeesters verzetten zich ook. De hertog werd beschuldigd van omkoping en ontrouw. In 1782 trok Van Brunswijk zich terug.

     

    Het huwelijk van de stadhouder met de Pruisische prinses was niet erg liefdevol. Het echtpaar had vaak ruzie met elkaar. Er waren geruchten aan het hof dat deze ruzies ook van fysieke aard waren en dat de prinses haar man geregeld sloeg. Het hielp natuurlijk ook niet mee dat de prins een zeer vriendschappelijke relatie met freule Constantia van Lynden had, van wie men vermoedde dat ze zijn maîtresse was.

     

    De kinderen van Willem en Wilhelmina waren vaak ziek, omdat ze ongezond eten kregen voorgeschoteld. Als gevolg daarvan hadden ze last van indigestie. Ook de prins en zijn echtgenote tafelden zwaar en overaten zich vaak, en gaven over. Ook op andere gebieden zorgde Willem slecht voor zichzelf. Hij ging laat naar bed en viel vaak in slaap in zijn stoel. Overdag was hij suf en had moeite om wakker te blijven en bemoeide zich dan nauwelijks met staatszaken.

     

    Steeds meer patriottische blaadjes zagen het licht. Anti-orangistische regenten voeren mee op die golven om afbreuk te doen aan de gevestigde stadhouderlijke machtspositie. Van Brunswijk, maar ook de stadhouder zelf deugde niet. De positie van de hertog werd onhoudbaar en hij vertrok naar Duitsland. Hij overleed daar enkele jaren later. Journalistiek en pamflettisme waren het belangrijkste bindmiddel van de patriotten. Maar zij beperkten zich niet tot de pennenstrijd. De vrijheid moest ook verdedigd worden. In 1781 was een anoniem geschrift verschenen onder de titel Aan het volk van Nederland waarin de Oranjes werden aangewezen als de wortels van het kwaad. Het riep ook op tot bewapening van het volk.

     

    Aanhouding van Wilhelmina

    Aanhouding van prinses Wilhelmina van Pruisen in de Vlist 28 juni 1787, getekend door Mathias de Sallieth naar Karle la Fargue.

     

    In 1785 werd de stadhouder uit Den Haag verjaagd en hij week uit naar de beter verdedigbare Valkhofburcht in Nijmegen. Zijn vrouw was het absoluut oneens met deze stap. Op 28 juni 1787 wilde ze de Staten van Holland bewegen om haar echtgenoot weer terug te laten keren, maar ze werd aangehouden bij Bonrepas aan de Vlist, aan de weg van Schoonhoven naar Haastrecht, door patriotten uit Gouda. Ze werd meegenomen richting Hekendorp en daar overgezet bij Goejanverwellesluis. Ze werd kort vastgehouden in een boerderij, maar omdat dit geen geschikt onderkomen was voor de nacht werd haar de keuze gegeven door te rijden naar kasteel Woerden of terug te keren naar Schoonhoven. Ze ging naar Schoonhoven. Na twee dagen ging ze terug naar Nijmegen. Haar aanhouding was de directe aanleiding voor haar broer Frederik Willem II van Pruisen om de republiek binnen te vallen. Dit leidde tot de val van de patriotten.

     

    Terug naar boven

     

     

    Saint Omer

     

    Saint-Omer (Sint Omaars) is een stad in Noord-Frankrijk in het tegenwoordige departement Pas de Calais, grenzend aan Frans-Vlaanderen en Artois in Frankrijk. Toen de Pruisen in september 1787 de Nederlandse republiek binnenvielen, sloegen vele patriotten op de vlucht uit angst voor represailles. Door de gebeurtenissen van het jaar daarvoor in Hattem en Elburg, waar de orangisten de patriotten hard hadden aangepakt, waren deze ervan overtuigd dat het nog erger zou worden. Ze waren onder andere bang voor plunderingen en ongeveer tweeduizend van hen sloegen op de vlucht met hun families, zo’n vijf tot tien procent van de Nederlandse bevolking.

     

    Er is geen definitie van een typische patriottische vluchteling te geven. De groep was zeer heterogeen. Sommige van hen werden juridisch vervolgd, verbannen of bedreigd met lijfstraffen. Anderen werden gemolesteerd of geïntimideerd door orangisten. Van weer anderen werden de bezittingen geplunderd. Soms was het feit dat de patriottische ideeën en het patriottische gedachtengoed niet meer vrij mochten worden geuit voldoende om naar het buitenland te vertrekken, zoals bij de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken (schrijfsters van de roman De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart). Sommigen durfden niet meer naar de Republiek terug te keren. Het algemeen beeld was wel dat ze vrij jong waren, veelal tussen de twintig en dertig jaar en vooral afkomstig uit de provincies Holland en Utrecht.

     

    In de eerste plaats vonden de vluchtelingen een veilig onderkomen in de Republiek zelf. Ze doken onder op zolders of verstopten zich in bossen of afgelegen schuren. Na enkele uren, hooguit een paar dagen, konden ze terug naar hun huizen. Utrecht en Amsterdam golden als redelijk veilig, tot aan de capitulatie van Amsterdam in oktober 1787.

     

    Tienduizenden patriotten zagen geen mogelijkheid in de Republiek te blijven of wilden zich niet aansluiten bij het nieuwe bewind. Zij vluchtten veelal naar Frankrijk, al waren er ook bij die naar Denemarken, Zweden, Rusland en Engeland gingen.

     

    De eerste zorg van de vluchteling was een dak boven zijn/haar hoofd. Het meest gebruikelijke was een herberg of, voor de rijkeren, een gemeubileerd Hôtel, een herenhuis. Particulieren verhuurden kamers. Officieren die hoopten op een post in het Franse leger gingen naar Parijs. Zij waren niet de enige Nederlanders in de hoofdstad van Frankrijk. Er verbleven al gezanten en ambassadepredikanten, edelen en bankiers. Daarnaast oefende de stad een aantrekkingskracht uit op handelaren en ambachtslieden. Er studeerden ook medici aan de Académie Royal, die daar chirurgie studeerden.

     

    Caserne de la Barre

    Caserne de la Barre in Saint Omer, waar de Nederlandse vluchtelingen verbleven.

     

    Intussen zat Frankrijk met de toestroom van vluchtelingen in de maag. Noord-Frankrijk en in het bijzonder Saint-Omer en de stad Béthune werden aangewezen als opvangcentra voor de slachtoffers van vervolging uit de Republiek. Collignon, de commissaris van Oorlog, gaf in december 1787 opdracht om de kazerne in Saint-Omer in gereedheid te brengen voor de opvang van Nederlandse vluchtelingen aangezien die rond die tijd leeg stond. Er werden bedden gehuurd en de barakkamers werden sober ingericht met een matras, strozak, hoofdkussen, lakens en dekens. De vluchtelingen sliepen met zijn tweeën in een bed. Verder een tafel met een of twee banken, een kapstok. De kamers in de officierspaviljoens waren luxueuzer met twee bedden met een houten hemel en gordijnen, een tafel en vier stoelen, twee nachtpo’s en een mogelijkheid om spullen op te bergen. Hierin werden mensen uit de middenklasse ondergebracht. De andere kamers, waarin tien man konden slapen, waren voor de vluchtelingen die zes tot twaalf livres per week aan steun ontvingen. In de kazernes woonden de vluchtelingen voor niets, maar in de rest van de stad moesten ze hoge huren van vierentwintig livres of meer betalen.

     

    In de kazerne huisden ongeveer duizend mensen. Honderden ongetrouwde jongemannen zorgden regelmatig voor overlast. De kazerne stond bekend om de daar heersende ongebonden en slechte levenswijze. Vluchtelingen werden regelmatig opgesloten voor dronkenschap, het veroorzaken van lawaai en het dreigen met messen. Om de stad te ontlasten werd twee vijfde van vluchtelingen naar het naburige Grevelingen gestuurd waar ook een kazerne stond die beschikbaar was voor onderdak.

     

     

    Saint-Omer

    Straatje in Saint Omer.

     

    De verplichting om in de stad te wonen werd ingetrokken, waarna de vluchtelingengemeenschap zich over de steden en dorpen in de omgeving verspreidde, voornamelijk in het noordwesten. Deze verspreiding en de actieve politiek gericht op repatriëring van vluchtelingen uit lagere klassen deden het aantal dat in de kazerne woonde sterk afnemen. Na 1789 verbleven er nog slechts vijf- en zeshonderd vluchtelingen in de paviljoens en barakken, inclusief vrouwen en kinderen.

     

    Terug naar boven

     

     

    Leiden in de 18e eeuw

     

    Van buitenaf was Leiden ten opzichte van de zeventiende eeuw weinig veranderd. Vanuit de verte werd het stadsbeeld nog altijd gedomineerd door de twee belangrijkste kerken: de Pieterskerk en de Hooglandse kerk. Rondom de stad lagen muren en aarden wallen met bolwerken waarop windmolens stonden. Daarbuiten bevond zich een singelgracht met een wandelweg met een dubbele bomenrij die langs bleekvelden en tuinen voerde. Om Leiden heen lagen weilanden met hier en daar een boerderij. Buitenlandse reizigers roemden de bezienswaardigheden zoals het stadhuis met ‘het laatste oordeel’ van Lucas van Leyden, de Burcht met het doolhof, de Hortus en het Academiegebouw. Ze bezochten het graf van Boerhaave in de Pieterskerk en het Theatrum Anatomicum.

     

    De Burcht van Leiden

    De Burcht van Leiden.

    Stadhuis van Leiden

    Het stadhuis van Leiden, geschilderd door Cornelis Springer.

     

    De oude Rijn stroomde gesplitst in twee armen de stad binnen. In het hart van Leiden kwamen de twee takken weer samen. Als één brede rivier verliet de Oude Rijn vervolgens weer de stad. Behalve op de Oude Rijn bevoeren binnenschippers ook de Mare, de Zijl en de Vliet voor personen-, post- en goederenverkeer. Het was vooral het water dat een verbinding maakte met de dorpen en steden om Leiden heen. In de zeventiende eeuw was er een heel stelsel van trekvaarten aangelegd waarlangs personen, post en kleine pakketten volgens een vaste dienstregeling per trekschuit werden vervoerd. Delft, Den Haag, Haarlem en Utrecht waren op deze manier gemakkelijk bereikbaar.

     

    Trekschuiten bij de Marepoort in Leiden

    Trekschuiten bij de Marepoort in Leiden.

     

    Op het hoogtepunt van de economische bloei, in het derde kwart van de zeventiende eeuw, had de stad ruim drieënzestigduizend inwoners. In 1775 was dat aantal gedaald tot dertigduizend. In de zeventiende eeuw was Leiden na Amsterdam de grootste stad van Holland geweest, maar na verloop van tijd streefden Rotterdam, Den Haag en Utrecht haar voorbij. Dit had onder andere te maken met de achteruitgang van de textielnijverheid (het laken), waar Leiden zo beroemd om was geweest. Hoofdzakelijk schapenwol werd van het platteland aangevoerd, later ook uit het buitenland, met name Engeland. Na de Tachtigjarige oorlog en het beleg van 1574 bloeide de stad weer op, een periode die tot het eind van de zeventiende eeuw voortduurde. Dit kwam vooral door een golf van immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden die nieuwe technieken voor de vervaardiging van lichtere en goedkopere wollen stoffen introduceerden. In die tijd werd de stad helemaal volgebouwd, zo veel mogelijk huizen werden er binnen de vestwallen neergezet. Pas toen het aantal inwoners daalde, kregen de Leidenaren wat meer lucht. Over lucht gesproken: het stilstaande water in de grachten, vervuild door huishoudelijk en industrieel afval, stonk behoorlijk.

     

    Kaart van Leiden (1649)

    Kaart van Leiden (1649) door Joan Blaeu.

     

    De grootste oorzaak voor de achteruitgang in de textielnijverheid van de stad was het hoge prijspeil ten opzichte van de hoge lonen in Holland. Het resultaat was een kostprijs die negen tot tien procent hoger uitviel dan bij andere textielcentra. De Leidse textielfabrikeurs konden niet meer concurreren met de internationale markten.

     

    Bovendien was de grote economische bloei van de Republiek voorgoed voorbij. Handel en scheepvaart gingen achteruit, vanaf het rampjaar 1672. De landen rondom de Republiek beschermden hun eigen belangen en het was steeds moeilijker voor Leiden om met de internationale prijzen te concurreren. Grondstoffen werden uit andere landen aangevoerd en de producten waren bestemd voor de export. De binnenlandse markt was te klein om dat op te vangen.

     

    In de loop van de achttiende eeuw liepen de handelaren ook tegen een aantal exportbelemmeringen op. De opstand van de Amerikaanse koloniën tegen het Britse gezag wekte hooggespannen verwachtingen, maar de mogelijkheden vielen uiteindelijk tegen.

     

    Ook technische ontwikkelingen – met name in Groot-Brittannië – die de industriële revolutie tot gevolg hadden, zoals bijvoorbeeld mechanische aandrijving, versterkten de teloorgang in Leiden alleen maar verder.

     

    Ook de bierbrouwerij ging achteruit, voor een deel omdat de smaak veranderde. Men ging meer koffie en thee drinken. Een van de takken van nijverheid die groeide in de stad was die van het boek: het uitgeverij- en drukkerijbedrijf. De academiestad telde vijftig boekverkopers die voor een groot deel ook drukker en uitgever waren. Maar het was niet genoeg om de achteruitgang van Leiden te stoppen.

     

    In de nacht van 25 op 26 september 1781 werd overal in het land een anoniem pamflet verspreid. Het was gericht "Aan het Volk van Nederland" en riep de burgers op om hun rechtmatige aandeel in het bestuur van stad en land op te eisen. Wie de schrijver was, bleef lang onbekend. Later bleek het Joan Derk van der Capellen tot den Pol te zijn. Dit pamflet was het startsein voor de revolutie van de patriotten tegen corruptie, vriendjespolitiek en andere misstanden.

     

    Aan het begin van de jaren ’80 van de achttiende eeuw liep de temperatuur van de politieke atmosfeer in Leiden steeds meer op. In 1784 was er een oproer dat begon met het ingooien van ruiten in het huis van een patriot, waarna straatrelletjes ontstonden. De reactie van de Prinsgezinden was een demonstratie waarbij ze oranje versierselen droegen. Inwoners die niet aan het oproer wilden meedoen werden mishandeld of bedreigd. De rellen duurden ongeveer een week en konden alleen worden onderdrukt door soldaten die van buiten de stad kwamen. De groep patriotten was niet groot genoeg naar de zin van de relschoppers. Ze probeerden door middel van tijdschriften en kranten de geesten van gewone mensen rijp te maken voor de patriottische ideeën. Het samengaan van de Schutterij met het vrijkorps (bestaande uit burgers, vrijwilligers, zoiets als de burgerwacht tegenwoordig) had veel veranderingen tot gevolg. Het korps werd steeds patriottischer tot alle prinsgezinde elementen weggezuiverd waren. In het stadsbestuur kwamen twee groepen naar voren: de aristocratische patriotten (in de kring van de regenten) en de democratische patriotten (die allerlei hervormingen wilden). Politieke rechten toekennen aan personen buiten de kring van regenten was een gevoelig punt in de samenwerking tussen de twee groepen. De democratische patriotten bonden daarom lange tijd in.

     

    De overgrote meerderheid van de Leidse bevolking kwam eigenlijk alleen in beeld bij rellen en oproeren of plunderingen. De meeste mensen hadden moeite om het hoofd boven water te houden en er bleef weinig ruimte over voor iets anders.

     

    Maar vanaf 1786 kwam er een ander geluid: de Leidse patriotten lieten zich in hun streven naar politieke hervormingen niet meer uit het veld slaan door het stadsbestuur. Zij verzochten om openstelling van de stedelijke ambten voor alle burgers van welke christelijke religie dan ook, al waren ze wel iets minder verlicht dan ze op het eerste gezicht leken, want het Joodse geloof was hiervan uitgesloten. In Leiden kwam het niet tot een vervanging van de Vroedschap door een democratisch gekozen bestuurscollege, zoals bijvoorbeeld in Haarlem. Maar toch bestuurden de democratische patriotten vanaf het voorjaar 1787 de stad en liep de Vroedschap aan hun leiband.

     

    Terug naar boven